In het slechtste geval moet Brussel als curator optreden

Eurolanden die in financiële nood zitten, kunnen de stabiliteit van de euro in gevaar brengen. Maar voorlopig worden vooral de landen zelf getroffen: die betalen fors meer rente.

Ze worden wel de ‘Club Med’ genoemd. Of, met Ierland erbij, de ‘PIIGS’ – Portugal, Ierland, Italië, Griekenland en Spanje. In de wandelgang klinkt dat als ‘pigs’, en die negatieve lading lijkt dezer dagen niet geheel onbedoeld.

Het regent ineens onheilsvoorspellingen over de naderende faillissementen van deze eurolanden. Vooral Griekenland zou volgens sommigen ‘op omvallen’ staan. Dat zou de stabiliteit van de euro, die al in waarde daalt, in gevaar brengen. Maar bankiers, diplomaten en Europese functionarissen in Brussel zeggen dat de zwakte van de PIIGS niet moet worden overdreven. Het risico dat één of meerdere van deze landen de eurozone verlaten of onder curatele worden geplaatst, is volgens hen klein.

Sinds de introductie van de euro in 1999 kenden vooral Spanje, Ierland en Griekenland sterke economische groei – meer dan de oude EU-landen. Er waren mensen die waarschuwden voor zeepbellen in hun huizenmarkten, te lage rentes, exorbitante overheidsuitgaven. Maar die werden afgedaan als zwartkijkers.

Vooral ambtenaren van de Europese Commissie in Brussel, die bleven zeggen dat je in goede tijden je overheidsfinanciën op orde moet brengen als appeltje voor de dorst (zoals Duitsland en Nederland deden), werden als zeurkousen beschouwd.

Nu blijkt de tiende verjaardag van de euro samen te vallen met de grootste recessie sinds de Tweede Wereldoorlog. Van de zestien eurolanden krijgen de snelle groeiers van toen de grootste klappen. Told you so, zeggen de zwartkijkers: om met hoge overheidsschulden te leven, heb je hoge economische groei nodig. Die groei stagneert. Erger, landen geven miljarden extra uit om banken en bedrijven overeind te houden en uitkeringen te bekostigen. Er is geen rek, regeringen gaan meer lenen. Maar omdat landen met hoge schulden risicovolle partners zijn, betalen zij meer rente op die leningen (staatsobligaties) dan landen met gezonde overheidsfinanciën.

De zogeheten kredietbeoordelaars, die de mate van dit risico moeten aangeven, hebben onlangs voor Griekenland, Portugal en Spanje hun waardering verlaagd. Ierland kreeg een waarschuwing. Sindsdien doemt er een rampscenario op dat velen na tien jaar stabiliteit in de eurozone nauwelijks voor mogelijk hielden. Griekenland betaalt intussen tweemaal zoveel rente als Duitsland. Ook de ‘spreads’ van andere PIIGS stijgen, vergeleken met de Duitse rente die als ijkpunt dient. Nog even, en de Grieken kunnen geen leningen meer betalen. En dan?

„De lakmoesproef voor de euro begint nu pas”, zegt Carsten Brzeski, econoom bij ING in Brussel. Financiële markten sluiten weddenschappen af op het einde van de monetaire unie. Velen speculeren over wat de EU gaat doen bij zo’n staatsfaillissement. De euroministers van Financiën spreken er maandag over.

Maar volgens Brzeski is er geen reden voor paniek. „Het klopt dat Griekenland meer rente betaalt dan Duitsland. Maar Griekenland betaalt ongeveer evenveel rente als in 2000: ruim 5 procent. Het zijn de Duitsers die voor het oplopende verschil zorgen: zij betaalden in 2000 5,2 procent rente en nu nog maar 3,3 procent.”

Eurocommissaris Joaquín Almunia (Monetaire Zaken) zegt dat „een faillissement van een euroland niet aan de orde is”. De Grieken hebben deze week miljarden op de kapitaalmarkt geleend, waarbij ze veel meer kregen aangeboden dan ze nodig hadden. Natuurlijk zit het economische tij tegen. Het is voor Athene moeilijker om de rente op te hoesten dan in 2000. Dat er toch volop vraag is naar Griekse staatsobligaties, is een goed teken. Als beleggers deze staatsobligaties laten liggen en alleen Duitse of Amerikaanse kopen – dan is er een groot probleem.

Commissie-functionarissen proberen de „hype” over een Grieks bankroet te ontkrachten, maar ontkennen niet dat de stabiliteit van de eurozone een bron van zorg is. De Commissie overlegt met lidstaten, achter de schermen, over de financiering van eventuele noodleningen aan een euroland dat onderuit gaat. Hoe dat verloopt, zeggen zij niet. Maar niemand houdt er rekening mee dat een land de eurozone gaat verlaten, dus een noodlening zal er in zo’n geval moeten komen. Die wordt betaald door andere eurolanden. Hiervoor is geen Europees budget. Daarna moet iemand het land onder curatele stellen – zoals het IMF Hongarije, Letland en IJsland in ruil voor leningen aan de ketting heeft gelegd. De Europese Centrale Bank mag dat niet doen. Het is ieders eer te na dat het IMF het ook bínnen de eurozone doet. Dus blijft de Commissie over.

Net als het IMF heeft de Commissie ‘landenteams’: voor elk van de 27 EU-leden een groepje financieel-economische experts. De teams voor landen zónder euro, zoals Litouwen en Letland, zijn onlangs uitgebreid. Maar de teams voor eurolanden hebben er niemand bij gekregen. Ook het ‘Griekse’ team niet.

„Sinds september”, zegt een Commissie-functionaris, „gaat iedereen anders om met risico. Een beetje risico verscheen vroeger niet op onze radar. Nu is zo’n beetje al te veel. We slaan door naar het andere uiterste.” Zo vroeg de Leuvense hoogleraar Paul de Grauwe zich laatst af of er nog geloof gehecht moet worden aan de beoordelingen van de kredietbeoordelaars. „Deze hebben ons jaren gezegd dat we ons geen zorgen hoefden te maken over de risico’s van oplopende schulden bij banken en grote bedrijven, niet beter kunnen sluiten? Waar halen zij die in het verleden zo systematisch fout zaten, nog geloofwaardigheid voor nieuwe risicoanalyses vandaan?”