In Beeld

In bijvoorbeeld Suriname, zo wordt gezegd, worden ze beschouwd als engelen. Een schakel tussen de mens en het hogere, zieners, begiftigd met talenten die de gewone sterveling onthouden blijven. Het is lariekoek, uiteraard, maar van het mooie soort. Als je dan toch de pech hebt anders te zijn, je huid gedurig te moeten beschermen tegen de zon (die uitgerekend in de gebieden waar je meestal geboren wordt fel schijnt), en een verhoogde kans hebt blind te worden en vroeg te overlijden aan huidkanker – dan is het een troost om je kwaal gerespecteerd te worden. Op je optimistische momenten kun je denken: nee, juist fijn dat ik albino ben!

In Tanzania, en de meeste andere regio’s in Afrika, stapelt zich pech op pech. Hier ben je met je pigmentprobleem, om al even op niets gebaseerde veronderstellingen als die in Suriname, een paria. Hier word je, met nog een beetje extra pech, net als neushoorns gedood, waarna wonderdokters je beenderen en organen vermalen tot een brouwsel dat gelukszoekers helpt goud en diamanten te vinden. Ook hier ben je dus een soort ziener, zij het pas nadat je in mootjes bent gehakt.

Zonder bijgeloof: deze kleine wezens, leerlingen op een blindenschool, tevens veilige haven in een boze wereld, zijn een soort engelen. Monnikjes in blauw (in plaats van rood), die zich, mediterend en gelukzalig glimlachend om de hemelse sferen waarin ze verkeren, eens geen buitenbeentje voelen. De suggestie van het hogere wordt gewekt door de gevouwen handjes, en versterkt door de onscherpte van het beeld. Het wel scherpe gezicht op de voorgrond stelt gerust: kom maar, wij hebben geen kwaad in de zin.