'Ik kan waardevol zijn, maar het mag niet'

‘Ik ben Irak ontvlucht in 1992. Ik werkte daar bij een fabriek voor elektrochemische apparaten, als scheikundetechnoloog. Maar op een dag kreeg ik een brief waarin stond dat ik moest gaan werken bij een ‘militair project’. Dat is een enorme fabriek waar militair materieel wordt gemaakt, grote bommen en zo. De arbeidsomstandigheden zijn daar onvoorstelbaar slecht. De werknemers maken werkdagen van zestien uur en worden voortdurend mishandeld. Het is een vorm van slavernij.

Toen ik weigerde, gooiden ze me in de gevangenis die deel uitmaakte van die fabriek. Na een paar weken cel kon ik kiezen: of aan de slag bij het militaire project of terug naar de gevangenis. Ik moest de werkelijkheid onder ogen zien: als ik nog iets van mijn leven wilde maken, moest ik maken dat ik wegkwam.

Dat najaar vluchtte ik via Jordanië naar Nederland. Ik kwam in een opvangcentrum terecht, daarna in een asielzoekerscentrum. Gelukkig kreeg ik vrij snel een verblijfsvergunning. Ik kwam te wonen op een kamer in Enschede, waar ik tevergeefs naar werk zocht. Daar zat ik dan op die kamer. Ik was depressief.

Mijn broer, die in Canada woonde, nodigde me uit naar hem toe te komen. Hij zorgde ervoor dat ik aan de slag kon in een farmacologisch laboratorium. Door middel van zelfstudie schoolde ik mezelf om tot farmacologisch onderzoeker. Ik deed het goed in Canada. Het lukte mij zelfs om drie wetenschappelijke artikelen te publiceren. Maar nadat ik tweemaal een werkvergunning van een jaar had gekregen, mocht ik daar niet langer blijven. Ik moest terug naar Nederland, maar ik was hoopvol gestemd, want met mijn Canadese werkervaring zou het mij vast lukken aan de slag te komen. Ik dacht: als ik maar heel hard werk, dan kom ik er wel.

Om te beginnen ging ik als vrijwillig onderzoeker werken aan de Universiteit van Twente, maar omdat mijn kansen beperkt waren in Enschede, verhuisde ik naar Amsterdam. Ik werd toegelaten tot de Vrije Universiteit voor een studie farmaceutische chemie.

Ik was beslist een buitenbeentje op de universiteit: ik was ruim tien jaar ouder dan de rest en kwam ook nog uit een vreemd land. Iedereen was nieuwsgierig naar mij, maar ik was ontzettend verlegen. Ik zat in mijn eigen wereld. Ik wist niet goed of ik nu wel of niet met mijn medestudenten moest omgaan. Maar op een gegeven moment kwam er een studente op me af die vriendelijk aan me vroeg waar ik vandaan kwam. Ze wilde graag meer over me weten. Zo werd het ijs gebroken. Toen ik eenmaal over mezelf durfde te vertellen, stond iedereen perplex over alles wat ik had meegemaakt.

Die studie was pittig. De Nederlandse studenten worstelden alleen met de wetenschappelijke begrippen, maar ik moest ook nog de taalbarrière overwinnen. De taal, dat was eigenlijk de grootste uitdaging. Omdat ik geen goed woordenboek Nederlands-Arabisch had, zocht ik de woorden eerst op in een Nederlands-Engels woordenboek en daarna in een Engels-Arabisch woordenboek.

Ik woonde alleen op een kamer in Amsterdam-Oost tussen een Turkse familie met zeven kinderen en een Marokkaanse familie met vijf kinderen. Veel tijd voor sociale contacten had ik niet, want ik zat altijd te studeren. Ik gaf zo weinig mogelijk geld uit, want ik spaarde voor een vliegticket zodat ik naar Canada kon om Rasha te zien, een Iraakse studente die ik daar had leren kennen en met wie ik wilde trouwen.

Ik studeerde af met goede cijfers. Voor farmacochemie haalde ik een acht, zo ongeveer het hoogst haalbare. Prof. Timmerman, het afdelingshoofd farmacochemie was geïnteresseerd in mij en zei tegen me: ‘Als ik jou zo zie, heb je alle kwalificaties om verder te gaan voor een doctoraat.’ Ik kon haast niet geloven dat hij dat echt tegen mij zei.

Zo werd ik op 38-jarige leeftijd een aio, een assistent in opleiding. Ik kwam uiteindelijk terecht bij het AMC waar ik onderzoek deed naar micropartikels, membraandeeltjes van de cellen. De proeven namen heel veel tijd in beslag: ik zat soms meer dan twaalf uur per dag in het laboratorium. Maar ik was geweldig gedreven. Ik had zoveel tijd verloren in Irak vanwege de oorlog en de dictatuur. Die tijd wilde ik hier in Nederland zo snel mogelijk inhalen. Ik gaf alles wat ik in me had.

In 2000 kwam Rasha naar Nederland en trouwden we. We kregen twee kinderen: een jongen en een meisje. Zij vond werk als ingenieur bij een petrochemisch bedrijf. Toen in 2005 mijn contract bij het AMC afliep, ging ook ik op zoek naar werk. Ik had goede hoop. Ik had immers mijn diploma scheikundetechniek en twee jaar werkervaring in Canada, ik was afgestudeerd aan de VU en ik had tijdens mijn promotieonderzoek veel ervaring opgedaan. Maar nee hoor, ik werd nergens aangenomen. Toch gaf ik de moed niet op. Iedereen zei tegen me: als je eenmaal gepromoveerd bent, wordt het allemaal anders. Dat geloofde ik.

In februari van dit jaar promoveerde ik op mijn onderzoek naar micropartikels. De decaan zei tegen mijn promotor: de verdediging van Mohammed zou een voorbeeld moeten zijn voor de andere studenten. Ik was trots dat ik zo’n compliment had gekregen en sloeg met goede moed aan het solliciteren. Zonder enig resultaat.

Alles bij elkaar heb ik nu zo’n driehonderd brieven geschreven, maar ik word overal afgewezen. Zelfs bij het AMC, waar ik mijn promotieonderzoek heb gedaan, ben ik afgewezen. Ik ben of te oud, of te hoog opgeleid, of heb te weinig werkervaring. Alsof je, als je bezig bent met zo’n promotieonderzoek, geen werkervaring opdoet. Ik heb zelfs meegemaakt dat een werkgever zei: we willen hem niet aannemen, want er staan te veel fouten in zijn cv. Terwijl dat cv door mijn professor was nagekeken!

Toen ik mijn promotor vertelde wat er aan de hand was, zei hij: Mohammed, het grote probleem is jouw naam. Maar dat wil ik eigenlijk niet geloven. Net als alle buitenlanders heb ik in Nederland regelmatig meegemaakt dat ik werd gediscrimineerd, maar daar heb ik mij nooit wat van aangetrokken. In Irak heb je ook discriminatie, het betekent niets. Ik ben er nooit achterdochtig of gefrustreerd door geraakt. Maar zo langzamerhand weet ik niet meer wat ik van mijn situatie moet denken.

Toen ik in 1992 in Nederland terechtkwam, dacht ik: dit is een andere wereld. Hier krijgen mensen de kans zich te bewijzen. Dat heb ik heel lang gedacht, maar nu weet ik het niet meer. Mijn vrouw is de kostwinner in ons gezin en ik zorg voor de kinderen. Ik houd heel veel van mijn kinderen en ik vind het leuk ze veel te zien, maar dit is niet het leven waar ik zo keihard voor heb gewerkt al die jaren. Ik ben niet gepromoveerd om thuis tussen vier muren te zitten. Ik kan een waardevolle bijdrage leveren aan de Nederlandse samenleving. Maar het mag niet.

Inmiddels solliciteer ik op banen die onder mijn niveau liggen, maar ook daar willen ze me niet hebben. Zo solliciteerde ik naar een baan als datamanager bij het Nederlandse Kankerinstituut. Het was een tijdelijke baan en niet zo goed betaald, maar ik dacht: misschien kan ik daar een netwerk opbouwen. Ik wil niet gefrustreerd thuis blijven zitten. Maar nee hoor, ze wilden me niet hebben. Toen ik vroeg waarom, zeiden ze: ‘U houdt nog steeds van het doen van onderzoek.’ Ja, inderdaad, dat kan ik niet ontkennen. Maar zou ik daarom geen datamanager kunnen zijn? Dat soort rare dingen maak ik mee.

Hoe kan ik de Nederlandse mensen ervan overtuigen dat ik heel graag wil werken en veel dingen kan? Ik heb zoveel energie en wil zo graag aan de slag. Als we het hebben over integratie, dan ben ik daar een voorbeeld van. Mijn vrouw heeft al verschillende malen voorgesteld om terug te gaan naar Canada. Maar dat wil ik helemaal niet, want Nederland is mijn thuis. Zo voelt het. Alles wat ik in Irak miste, kreeg ik hier. Veiligheid, vrijheid, respect. Daarom wil ik hier blijven. Ook mijn vrouw heeft het hier naar haar zin en we hebben veel vrienden in Nederland. Wij kunnen ons nog steeds niet voorstellen dat er geen mogelijkheden voor mij zijn in Nederland.

Zoveel mensen proberen mij te helpen. Zelfs de juf van mijn dochter. Zij zei tegen me: je moet een brief aan het kabinet schrijven, want dit kan niet. Ik ben nu bezig met een brief aan Ahmed Aboutaleb waarin ik hem vertel over mijn situatie. Misschien dat hij mij kan helpen. Ik zou hem zo graag willen vragen: hoe komt het dat het u wel is gelukt en mij niet? Wat moet ik verder nou nog doen om een normaal leven te mogen leiden in Nederland?

Mijn dochtertje heeft me al een paar keer gevraagd waarom ik niet werk. Onlangs was ik jarig en toen zei ze: laten we papa een baan cadeau geven.”

Renate van der Zee