Gevlucht, geslagen, gedumpt op volle zee

Vissers in Indonesië hebben honderden Birmezen gered die door het Thaise leger op zee zijn achtergelaten. In Atjeh vertellen ze hun verhaal. „Ik weet niet hoe ik dit heb kunnen verdragen.”

De wonden op de rug van Ahmed Hosen (24) zijn na ruim twee weken nog nat. Zijn linkerduim zit in het verband, zodat niet te zien is dat hij een stukje mist. Net als de andere Birmese bootvluchtelingen die worden verpleegd in het ziekenhuis van Idi Rayeuk in Oost-Atjeh, heeft hij een ingevallen gezicht en vallen zijn ribben te tellen. Het verraadt een deel van wat de mannen hebben doorstaan.

Veel vluchtelingen hebben striemen op hun rug, van sommigen zijn de wonden nog open. Mohamad Zubair is zo geslagen dat zijn sleutelbeenderen niet meer op hun plaats zitten. De elfjarige Ali Hosen, het jongste kind in de groep, heeft striemen op zijn handen omdat hij werd vastgebonden en is gewond aan zijn voet. Door de taalbarrière kunnen ze aan de Indonesische verplegers niet uitleggen wat er met ze is gebeurd. Maar ze wijzen naar hun wonden en zeggen: „Thailand, Thailand.”

Op een paar kilometer van het ziekenhuis ligt de lichtblauwe sloep waar de 198 vluchtelingen in ronddobberden, toen vissers uit Idi Rayeuk hen afgelopen zondag vonden. Vier van de vluchtelingen vertellen hoe Thaise militairen hen omstreeks 19 januari dwongen in die boot te gaan zitten en hen later op volle zee achterlieten. Zonder motor, met een roer dat niet werkte, enkele tientallen liters water, een paar zakken rijst, een bamboestok en twee stukken plastic om te gebruiken als zeil. Minstens twee mannen stierven door uitdroging. In de boot is nog te zien hoe ze met stukken zeil regenwater probeerden op te vangen. Er was zo weinig ruimte dat ze niet tegelijk konden zitten.

„De Thai trokken ons een dag en een nacht naar volle zee. Toen sneden ze het touw door en lieten ons daar achter”, vertelt Ahmed Hosen telefonisch aan een vertaler in Bangladesh. Hij vertelt hoe de mannen vergeefs probeerden de boot in een koers te laten drijven. Uiteindelijk dobberden ze vijftien dagen rond, zegt Hosen, tot ze een Indonesische vissersboot zagen. De vissers zagen hen niet, maar toen zagen ze een tweede vissersboot. Twee vluchtelingen sprongen in zee en trokken de aandacht. Hosen: „Toen wilden veel mannen in het water springen, maar onze maulvi’s (religieuze leraren) zeiden dat we rustig moesten blijven. Veel mannen sprongen toch. Zij werden opgepikt door de vissers.” Later sleepte de vissersboot hen naar de kust.

De boot in Idi Rayeuk is de laatste van vier boten met Birmezen die afgelopen maand werden gered door Indonesische vissers en de Indiase kustwacht. Overlevenden vertellen dezelfde verhalen: toen ze vanuit Birma of Bangladesh naar Maleisië probeerden te komen in de hoop op een beter leven, werden ze in Thailand opgepakt en uitgeleverd aan het leger. Ze werden gevangengezet op een „heuvelachtig Thais eiland”, het eiland Koh Sai Daeng. Daar werden velen van hen mishandeld, ze kregen nauwelijks eten en water. Na een paar dagen werden ze op boten zonder motor gezet en op volle zee achtergelaten. Volgens de getuigenissen heeft het Thaise leger naar schatting 1.200 migranten op deze manier mishandeld en op zee gedumpt, van wie er nog 500 worden vermist.

Ahmad Hosen vertelt dat hij rond 19 december met 76 anderen in Banshkhali in Bangladesh op de boot naar Thailand stapte, om vandaar over land naar Maleisië te komen. Maar bij aankomst in Thailand werden ze opgepakt. Eerst werden ze een week vastgezet op een eiland, en toen zes dagen op een ander eiland. Toen daar toeristen kwamen, bracht het leger hen terug naar het eerste eiland en zette hen op de boot.

Hosen: „Toen ze ons oppakten sloegen ze ons niet, omdat er mensen waren die ons zagen. Maar op het andere eiland sloegen ze ons heel veel. Ik ben denk ik het ergste slachtoffer van hun mishandelingen. Ik weet niet hoe ik dit allemaal heb kunnen verdragen.” Vier dagen na zijn redding zit hij nog aan het infuus. „Ze bonden onze handen achter onze rug. Ze hadden knuppels en sloegen ons op rug, middel en buik. Ze raakten mij ook met hun knie en sloegen me in mijn gezicht.”

De nieuwe Thaise regering blijft ontkennen dat vluchtelingen in Thailand zijn mishandeld en op zee gedumpt. „Wacht alstublieft op het onderzoek van de Indonesische autoriteiten, geloof de buitenlandse pers niet”, zei minister van Buitenlandse Zaken Kasit Piromya woensdag. Vicepremier Suthep Thaugsuban zei dat Thailand „vluchtelingen die illegaal het land proberen binnen te komen, zal blijven deporteren”.

De internationale gemeenschap heeft haar zorgen over de zaak uitgesproken en roept Thailand op de toedracht te onderzoeken. Maar de Thaise regering heeft het feit dat ze nu bijna twee maanden aan de macht is grotendeels te danken aan het Thaise leger, wat het twijfelachtig maakt of de schuldigen zullen worden gestraft. Premier Abhisit kondigde eerder een onderzoek aan naar de beschuldigingen, maar wil dat laten uitvoeren door het Thaise leger zelf.

Vluchtelingenorganisaties hebben opgeroepen ook naar een structurele oplossing te zoeken voor de bootvluchtelingen. De meesten van hen zijn Rohingya, een islamitische minderheid in Birma die al decennialang wordt onderdrukt en nu feitelijk stateloos is. Ze hebben in Birma geen burgerrechten, mogen zich niet zonder toestemming verplaatsen en worden door de Birmese junta ingezet voor dwangarbeid. Zo’n 200.000 Rohingya ontvluchtten die omstandigheden en wonen in een vluchtelingenkamp of als illegaal in Bangladesh.

Zo vertelt een andere vluchteling met dezelfde naam, maulvi Ahmed Hosen (32), dat hij zes jaar geleden naar Bangladesh vluchtte. „De Birmese regering spaarde me niet. Het was ondraaglijk voor mij om de belastingen te betalen en dwangarbeid te doen. Omdat er geen andere mannen waren in mijn familie moest ik alles doen, ondanks dat ik de imam van de moskee was.”

Maar de vluchtelingen zijn nog beter te spreken over de Birmese autoriteiten dan over de Thaise. Maulvi Ahmed Hosen vertelt dat de boot waarmee hij naar Thailand voer werd onderschept door de Birmese marine. „Maar zij hebben ons geholpen. Ze trokken ons een dag richting de Thaise kust en gaven ons voedsel. Slechts een paar mensen werden geslagen met een stok. Maar dat was niets vergeleken met wat de Thai ons hebben aangedaan.”

Meer over de Birmese vluchtelingen op nrc.nl/jakarta.