Fransen en Nederlanders

Het begint al met een werkvergadering. Dat verloopt in Nederland heel anders dan in Frankrijk. Joël Lebreton, de Franse directeur van Transdev, een internationaal openbaar vervoersbedrijf met 41.000 werknemers, legt uit dat Fransen in vergaderingen ideeën willen uitwisselen, reflecteren. Hij merkt echter dat Nederlanders dan vooral beslissingen willen nemen.

Lebreton vertelde dit in Parijs op de jaarlijkse ‘Erasme-Descartes’ conferentie, georganiseerd door het Institut Néerlandais, waar Fransen en Nederlanders proberen te communiceren. Dat gaat moeizaam. Zoals de Thalystrein tussen Amsterdam en Parijs maar niet sneller wordt dan die vermaledijde vier uur en elf minuten, zo kan ik als inwoner van Parijs bevestigen dat Nederlanders en Fransen waarschijnlijk nooit vrienden zullen worden.

De retorische tweedeling is scherp. De Nederlandse sprekers willen vooral informatie overdragen. Maar voor de Fransen is praten ook een soort lied; het moet melodisch en ironisch klinken. Als Fransen een betoog belachelijk vinden, noemen ze het très intéressant voordat ze het afkraken. Een vooraanstaande Nederlandse academica daarentegen zegt gewoon: ‘Zo simpel zit het dus niet in elkaar.’

Ook hebben Nederlanders en Fransen verschillende soorten hersenen. Nederlandse sprekers presenteren feiten: het nieuwste onderzoek toont x en y aan. De historie van een onderwerp vinden ze minder belangrijk, en de filosofie ervan al helemaal niet. Franse sprekers stellen echter graag fundamentele vragen: Is de mens een homo economicus? Wat is zijn capaciteit om ‘onderwerp’ te worden?

De Franse historicus Christophe de Voogd looft een landgenote: ‘Ik voelde in uw Kant ook een beetje Rousseau.’ Tijdens de koffiepauze mompelt de vooraanstaande Nederlandse academica: ‘Ik heb zoiets van, “Wat kan het mij schelen wat Rousseau heeft gezegd?” Ik wil feiten.’

Nederlanders zijn als succesvol geglobaliseerd volk geneigd op wollige Fransen neer te kijken. Op de conferentie houdt Frits Bolkestein een toespraak over het Franse verval: volgens hem kan je gechargeerd stellen dat Frankrijk ‘Europa verloor en geen rol kon vinden’. Een Nederlander noemt de toespraak terecht ‘weer een les die Nederland aan Frankrijk geeft’. Een Fransman vraagt waarom Bolkestein als vrijemarktapostel niets zegt over de financiële crisis.

Meestal praten Fransen en Nederlanders echter langs elkaar heen. Ze bezitten namelijk geen gemeenschappelijke taal. Bolkestein vertelt in zijn schitterend Frans dat hij uit ‘een verdwijnende generatie’ francofielen stamt. Maar zelfs de hoogopgeleide Nederlanders in de zaal horen dit vooral in vertaling op hun koptelefoons.

De Apeldoorn-conferenties tussen Britse en Nederlandse elites verlopen veel vlotter. Op ‘Apeldoorn’ bestaat er geen taalbarrière. Niet alleen debatteren Britten en Nederlanders probleemloos, maar ’s avonds in de bar kruipen ze bij elkaar. En omdat beide volkeren empirisch denken, heeft niemand het over Rousseau.

Een Frans-Nederlandse dialoog bestaat dus amper. Dat is een gemis. Die Fransen zijn namelijk niet dom. Als je in Parijs de krant leest, of een academicus spreekt, raak je vaak erg onder de indruk. Weliswaar duren Franse vergaderingen langer, maar misschien doorgronden Fransen daardoor situaties soms beter, en vervallen ze minder gauw in ad-hoc-oplossingen.

Zoals Bolkestein opmerkt, is Frankrijk ’s werelds tweede exporteur van diensten. Het Franse establishment is vastbesloten om niet net als Italië een irrelevante provincie-annex-museum te worden. Daarom leren Fransen nu in tgv-vaart Engels. Maar zelfs met een gedeelde taal zullen Nederlanders hen niet horen.

Simon Kuper is schrijver, columnist en auteur van Retourtjes Nederland