De snelste sterren in het melkwegstelsel zijn wellicht indringers

Sommige van de snelste sterren in het melkwegstelsel komen wellicht van elders. Zij zouden afkomstig kunnen zijn van een dwergstelsel dat in een astronomisch recent verleden in ons melkwegstelsel is binnengedrongen en daarin geleidelijk is opgelost (Astrophysical Journal Letters, 1 februari).

Dat heeft een drietal astronomen afgeleid uit de eigenschappen van zestien ‘hypersnelle sterren’ die in de afgelopen jaren zijn ontdekt. Al deze sterren hebben snelheden van meer dan 300 kilometer per seconde, met uitschieters tot boven de 700 kilometer per seconde.

De sterren in de buurt van de zon draaien met een vaartje van zo’n 200 kilometer per seconde rond het melkwegcentrum. Sterren dichter bij dit centrum draaien in het algemeen wat sneller en sterren op grotere afstand wat langzamer. Van de hypersnelle uitschieters werd tot nu toe gedacht dat ze in het centrum van het melkwegstelsel zouden zijn ontstaan. Daar bevindt zich een superzwaar zwart gat, waar vele sterren omheen krioelen. Als een dubbelster toevallig een keer vlak langs dit gat beweegt, kan één van de twee componenten worden ingevangen en zal de tweede met grote snelheid wegvliegen.

Nu hebben Mario Abadi en zijn collega’s echter ontdekt dat de hypersnelle sterren niet willekeurig over de hemel zijn verspreid, maar vooral zijn te zien in de richting van het sterrenbeeld Leo (Leeuw). Bovendien blijkt uit terugrekenen dat deze snelle jongens er allemaal zo’n 100 tot 200 miljoen jaar over moeten hebben gedaan om vanuit het centrum van het melkwegstelsel hun huidige positie te bereiken. Dat strookt niet met het willekeurig – in tijd en richting – wegzwiepen van sterren, maar wijst op een éénmalig gebeuren, zoals het binnendringen van een ander, klein stelsel.

De astronomen hebben met behulp van computersimulaties berekend wat er dan gebeurt.

In beide stelsels staan de sterren zo ver van elkaar dat er geen botsingen plaatsvinden. Maar bij het melkwegcentrum zijn de getijdenkrachten zo sterk dat er een sliert van sterren uit de binnendringer wordt getrokken die van het centrum weg wordt geslingerd. Doordat we nu tegen de ‘achterzijde’ van die sliert aankijken, zien we de hypersnelle sterren in een klein gebiedje aan de hemel. En de gemeenschappelijke reistijd van de sterren in dit gebied weerspiegelt het feit dat zij alle in korte tijd uit het dwergstelsel werden losgetrokken. George Beekman