De globalisering stagneert door deflatie, protectionisme, en morele bezwaren

Crises hebben door de eeuwen heen de globalisering meermaals stopgezet, aldus Harold James. Maar voor het eerst in de historie valt een crisis ook mijn generatie lastig, schrijft Ingmar Vriesema.

Britse hoogleraar internationale betrekkingen aan de Universiteit van Princeton in de VS. Economisch historicus. Van hem verscheen onder meer: The end of globalization; Lessons from the Great Depression (2001).

We maken op dit moment een sinds de Grote Depressie van de jaren dertig van de twintigste eeuw ongekende financiële instorting mee. De gevolgen zullen dramatisch zijn. 2009 zou het eerste jaar sinds de Tweede Wereldoorlog kunnen worden waarin de wereldeconomie niet groeit. De crisis leidt tot ingrijpende politieke beleidswijzigingen en baant de weg voor een wederopstanding van de staatsbemoeienis.

En mogelijk heeft zij nóg iets voor ons in petto: dat de globalisering ongedaan wordt gemaakt.

In de loop van tientallen jaren zijn wij gewend geraakt aan het dogma dat de globalisering – de integratie van de wereld door grote stromen goederen, kapitaal en ook mensen – onomkeerbaar zou zijn. Historisch gezien valt dat niet staande te houden. De op de handel in suiker en koffie gebouwde mondiale integratie van de achttiende eeuw eindigde in tegenspoed voor de Franse en Engelse wereldrijken, die deze vorm van globalisering bedreven. Na de Franse Revolutie en de oorlogen van Napoleon werden handelsstromen verlegd, en verschoven de productiecentra. De globalisering in de negentiende eeuw, toen het stoomschip, het telegram en de massamigratie tot integratie leidden, eindigde in 1914 bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Nee, onomkeerbaar is de globalisering niet.

Dat de globalisering op dit moment stokt, is een gevolg van twee krachten: van praktische, op belangen gestoelde reacties en van diep gevoelde moralistische overwegingen. Ieder voor zich hebben die slechts oppervlakkige gevolgen, maar tezamen is hun uitwerking reusachtig.

Om met de praktische kant te beginnen: door de crisis zal de werkloosheid toenemen. De speurtocht naar middelen om de werkloosheid te bestrijden leidt onontkoombaar naar protectie, en inderdaad zijn daarvan, ondanks alle geruststellende woorden over het belang van internationale openheid, al ettelijke zorgwekkende tekenen zichtbaar.

In november 2008 verzekerden de afgevaardigden op de economische top van de G20 dat zij gedurende twaalf maanden „geen nieuwe belemmeringen tegen investeringen of tegen de handel in goederen en diensten’’ zouden opwerpen. Maar slechts een paar dagen later kondigde Rusland nieuwe heffingen op auto’s af en devalueerde het de roebel, voerde India invoerrechten op ijzer- en staalproducten in, en devalueerde China de renminbi om zijn export te steunen.

In de eurozone zal de sterke daling van het Britse pond ook wel als een doelbewuste actie, als element van een valutaoorlog, worden opgevat. Het nieuwe Congres in de Verenigde Staten staat meer open voor handelsprotectie dan het oude, en het lijkt onwaarschijnlijk dat president Obama wensen in die richting zal blokkeren.

Bovendien doet zich een spectaculaire wending voor naar een opvatting die men de ‘neokeynesiaanse consensus’ zou kunnen noemen: dat hoge extra uitgaven door de staat vereist zijn om de conjunctuur te redden, en dat hoge staatsschulden noodzakelijk zijn om de kredietmarkten te stabiliseren, omdat in extreem nerveuze tijden de staat de enige betrouwbare crediteur is.Wat gebeurt er nu als de staat niet aan de verwachtingen voldoet? Als de tekorten stijgen en een ommekeer uitblijft? Dan treedt ontnuchtering in: de markt heeft gefaald, maar de staat ook.

Historisch gezien werd het verzet tegen globalisering ingegeven door morele verontwaardiging over de verdorvenheid van handel over grote afstanden. Vaak was het religieus geïnspireerd. De Italiaanse boeteprediker Savonarola werd door de zich verruimende wereld van de Renaissance tot een dergelijke reactie aangezet; zijn aanhangers hielden ‘verbrandingen van ijdelheden’, waarbij zij de uitwassen van de Florentijnse handel in luxeartikelen aan de vlammen prijsgaven. Een navolger van Savonarola was Maarten Luther, die traktaten schreef tegen de handel met verre landen, waarin hij zich baseerde op de apostel Paulus en diens standpunt 'geldzucht is de wortel van alle kwaad’.

Wereldwijde integratie, wereldwijd geweld en een crisis van waarden – dat alles houdt historisch gezien nauw met elkaar verband. Het hoeft ons niet te verwonderen wanneer wij ook in ons eigen tijdperk van globalisering de wisselwerking van die factoren waarnemen. Maar in ons geval zal de reactie heftig uitvallen, doordat de oorzaken van de crisis hoofdzakelijk van financiële aard zijn.

De jongste episode in de globalisering ging gepaard met – en werd in de hand gewerkt door – een spectaculaire expansie van de geldstromen. We kunnen de huidige crisis, deze explosie op de financiële markt, ook opvatten als een reactie op de opeenstapeling van schulden, zowel van landen als van particulieren. De crisis zet op grote schaal de prijzen onder druk – een proces dat tijdens de Grote Depressie ‘schuldendeflatie’ werd genoemd. In zo’n geval dalen de nominale schulden, maar stijgen de reële schulden, omdat de prijzen sneller dalen.

Dit geldt echter sinds de jaren dertig als een achterhaald probleem. Zo nam men bijvoorbeeld aan dat deflatie door het juiste monetaire beleid gemakkelijk kon worden verhinderd. Men behoefde slechts telkens opnieuw de rente te verlagen. Dat is precies wat de Bank of England, de Federal Reserve en de Europese Centrale Bank – zowel ieder voor zich als in gecoördineerde stappen – hebben gedaan om de markten te beïnvloeden. Dat werkte ook wel, maar telkens ongeveer één dag lang. Daarna brak opnieuw paniek uit.

Anderen gingen ervan uit dat een vergroting van de geldhoeveelheid deflatie zeker zou verhinderen; volgens die opvatting moest steeds maar weer meer liquiditeit beschikbaar worden gesteld. Vaak werd een opmerking van Ben Bernanke, het hoofd van de Federal Reserve, aangehaald, die over de hardnekkige Japanse deflatie van de jaren negentig had gezegd dat je eigenlijk alleen maar, als uit een helikopter, geld over de mensen moest uitstrooien. In de wereldeconomie ging die strategie tegen het einde van het jaar 2007 heel goed op. In 2008 werkte ze niet meer. De centrale banken pompten meer dan 2,5 miljard dollar in de economie, maar bereikten daarmee slechts een tijdelijke kalmering. De banken waren er niet toe te bewegen hun gewone kredietverlening te hervatten.

Nog anderen menen dat het deflatiegevaar zou kunnen worden ingeperkt door centrale banken of regeringen ondeugdelijke waardepapieren te laten opkopen. Dat was misschien nog niet zo’n gek idee, en het vormde ook de oorspronkelijke kern van het reddingsplan van de Amerikaanse minister van Financiën Hank Paulson. Deze aanpak bleek echter te gecompliceerd, omdat alle ondeugdelijke waardepapieren op hun eigen manier ondeugdelijk waren, en het ondoenlijk leek, er een prijs voor te bepalen.

Deze geschiedenis van de vergeefse strijd tegen de deflatie stemt tot nadenken.

Het schijnt buitengewoon moeilijk te zijn om deflatie af te schudden. Op de langdurige perioden van deflatie in de Verenigde Staten in de jaren dertig en in Japan in de jaren negentig van de twintigste eeuw is geen echt herstel gevolgd. Bijzonder gevaarlijk is de deflatie die haar oorsprong vindt in de financiële sector. Zij is moeilijker te bestrijden dan inflatie, want bij de bestrijding van deflatie kan de rente niet lager worden dan nul.

Het is niet zo dat bij deflatie alle prijzen dalen. De schulden passen zich niet aan, omdat die in nominale prijzen zijn vastgelegd. Bij inflatie daalt de waarde van de schulden, en voor particulieren en ondernemingen is het bemoedigend hun verplichtingen te zien slinken. Deflatie verhoogt de schulden, en dat voelt alsof je onder een loden last gebukt gaat.

Tijdens de Grote Depressie tussen de wereldoorlogen heeft de econoom Irving Fisher heel precies beschreven hoe de schuldendeflatie in haar werk gaat. De kredietverstrekkers die zich zorgen maken over de waardedaling van de onderpanden roepen hun kredieten terug en dwingen de crediteuren om nog meer onderpanden te verkopen, wat de prijzen nog meer doet dalen en leidt tot nog meer kredietschaarste en faillissementen van ondernemingen en banken.

De antwoorden en de recepten van onze economen zijn karakteristiek voor de twintigste eeuw. Zij concentreren zich op de wortels van de nieuwe onzekerheid. Maar er zijn ook veel oudere antwoorden. Deflatie leidt tot radicaal anti-kapitalisme en tot veroordeling van schulden en schuldinstrumenten. Afwijzing van de markteconomie neemt dikwijls de vorm aan van een uitdrukkelijke vervloeking van schulden en schuldinstrumenten.

De Saoedische grootmoefti (geestelijke) Abdelaziz Al-Sheikh was van mening dat de oorzaak van de economische crisis gelegen was in de rente op schulden überhaupt, en dat het shariabeginsel van de verdeling van de risico’s het probleem uit de wereld zou helpen. Het Oude Testament beval aan om regelmatig, om de 49 jaar, de schulden af te lossen. In de Middeleeuwen streed de kerk tegen de woeker.

Zulke oplossingen berusten op de gedachte dat schulden de oorzaak zijn van een fundamenteel moreel tekort. Tegenwoordig zijn er veel meer schulden dan in het middeleeuwse Europa. Consumenten in de industrielanden nemen kredieten op om te kunnen shoppen. De theologische interpretatie van de moderne tijd is dat wij steeds meer van elkaar lenen – op verwerpelijke gronden. Wij lenen omdat wij ervan overtuigd zijn dat ons profijt en ons genot groter en belangrijker zijn dan die van een ander. Wanneer wij een blinkende auto in de showroom zien staan, die wij ons niet kunnen veroorloven, zijn wij er in ons hart toch van overtuigd dat die auto het beste door ons zelf bestuurd zou kunnen worden. De hebzucht voedt zich gelijkelijk uit trots en egoïsme.

Al voor de zomer van 2007 waren er aanwijzingen dat er een nieuw tijdperk aanbrak, waarin de ‘these van de globalisering’ terrein moest prijsgeven. De Doha-ronde over de liberalisering van de wereldhandel liep vast doordat er een conflict uitbrak tussen de machtiger geworden opkomende landen en de oude industrielanden. De autoritaire staten China en Rusland profiteerden van de schaarste aan grondstoffen om hun machtspositie in de wereldpolitiek te versterken. Scepsis over de voordelen van het vrije kapitaalverkeer heeft de kop opgestoken.

Terwijl de economische toestand verslechtert, maakt men zich in veel landen zorgen over de gevolgen van de immigratie. In deze nieuwe wereld wordt het belangrijk vreemdelingen buiten te sluiten. Het individu ervaart de buitenwereld eerder als bedreigend dan dat hij kansen waarneemt. Landen zijn bereid om handels- en valutaoorlogen te voeren en zich te verzetten tegen inmenging in hun commerciële aangelegenheden.

De belastingbetalers hebben er belang bij dat de keynesiaanse stimuleringsuitgaven van hun overheden niet buiten de landsgrenzen terecht komen. Macht en hegemonie winnen weer aan betekenis, omdat politieke beslissers liefst op zeker spelen en geen oog hebben voor de voordelen van samenwerking. In deze wereld hebben conflicten de neiging te escaleren en de grondslagen van de welvaart en de internationale orde te verwoesten.

© Die Zeit