De anonieme werklozen voelen zich vervangbaar

Elke dag worden 27.000 Amerikanen ontslagen. De uitzichtloosheid op de arbeidsmarkt is zo groot dat een baan vinden allang niet meer het doel is van de leden van de Job Club.

Eerst werkte Neil Sardana als ambtenaar op de afdeling paspoorten. Na zijn ontslag besloot hij alsnog door te studeren, maar „deze week heb ik het opgegeven. Het was niks meer voor mij.” Nu zit de 25-jarige Sardana thuis en hij moet De Vraag wel stellen, want „ik word nu al gek van mijzelf.” Hij schraapt zijn keel, kijkt naar de tafel, verzamelt moed. „Wat dóén jullie nou eigenlijk de hele dag als werkloze?”

Sardana is lid van de Job Club, de banenclub, een wekelijkse bijeenkomst van werklozen in het zwaar door de recessie getroffen Californië. Werklozen die elkaar proberen te helpen een baan te vinden zijn er altijd en overal al geweest, maar de in de VS in aantal en populariteit groeiende Job Clubs gaan verder dan leren solliciteren, cv’s opstellen en netwerken.

Deze banenclubs gaan over de dag doorkomen. Over het leven zonder collega’s. Over uithuilen. Over het uitwisselen van recepten. Over, zoals cursusleidster Hilary Romanoff het samenvat, „het als mens de moeite waard blijven”. Het thema van vanavond: zelfrespect behouden na een ontslag.

De kantoortoren in San Francisco’s zakencentrum waar de clubleden wekelijks in een broeierig zaaltje samenkomen, is ironisch genoeg omgeven met juist die bedrijven die de voortdurende reeks van Amerikaanse massaontslagen hebben ingezet: de banken. Rondom de clublocatie zitten er vijftien. Van Citibank tot Wells Fargo, van het vroegere Washington Mutual tot Wachovia.

De vorig jaar aangekondigde saneringen in de financiële sector waren pas het begin. Sinds de jaarwisseling zijn tientallen grote ondernemingen overgegaan tot massaontslagen: 30.000 man weg bij elektronicawinkel Circuit City. 13.500 bij aluminiumproducent Alcoa. 7.000 bij warenhuisketen Macy’s. 19.500 bij farmaceut Pfizer. Ook in Nederland is de economische neergang nu voelbaar door ontslagen op grotere schaal. Corus. Philips. Schiphol. TomTom.

De licht stijgende werkloosheidscijfers in Nederland – vorig jaar gemiddeld 3,9 procent, het laagste van de afgelopen zes jaar – vallen in het niets bij die van Amerika, de grootste economie ter wereld. Gisteren maakte het ministerie van Arbeid bekend dat de werkloosheid is gestegen tot 7,6 procent, tegen 4,9 een jaar geleden. In Californië is de werkloosheid zelfs gestegen tot 9,3 procent. Omgerekend zijn vorige maand elke werkdag 27.000 Amerikanen ontslagen.

Dat soort abstracties worden tijdens een avond bij de Job Club tastbaar. Van de twaalf mensen om de tafel is Neil Sardana de jongste, de oudste is 59. Tien van de twaalf zijn blank, slechts een van hen heeft niet doorgestudeerd. Meer vrouwen dan mannen. Sommigen zijn al langer dan een half jaar werkloos, gecombineerd met dalende huizenprijzen een financiële doodssteek voor velen. Anderen komen preventief. „Ik heb nu nog een baan, maar dat hoeft met deze waardeloze economie volgende week niet meer zo te zijn”, zegt Monique la Fleur.

Haar clubgenoten werkten op de marketingafdeling van een uitgever, in de kledingbranche, of gewoon „in het bedrijfsleven”. Bedrijfsnamen worden nauwelijks genoemd, dat is tegen de etiquette. En zo is er een reeks regels. Achternamen zijn niet verplicht. Niet smoezen. Iedereen heeft recht op zijn eigen verdriet („Pijn is pijn.”) Verwacht kritiek van anderen. „Lach!” En wat bij Job Club gezegd wordt, blijft binnen Job Club.

Romanoff ziet aanzienlijke overeenkomsten tussen haar groepje en de anonieme alcoholisten. „Daar is het geen wedstrijdje wie het eerste afkickt. Hier gaat het net zo min over wie als eerste weer een baan zou vinden.” Want dat zou pas echt deprimerend zijn.

Het banenverlies van het laatste jaar is de grootste sinds de Amerikaanse overheid in 1939 de cijfers ging bijhouden. Uit de januaricijfers van gisteren – min 598.000 banen – blijkt dat behalve in de gezondheidszorg en bij de overheid overal banen geschrapt worden. Niet iedereen zag het aankomen. „Ik was echt blind”, zegt Linda McHugh, voorheen advocate bij een adviesconcern. „De hele zomer kregen de consultants op mijn kantoor al geen klussen.” Maar zij dacht er niet over na. „En in september was ik degene die eruit vloog.”

Dat is misschien niet het positivisme dat hier zo nagestreefd wordt, maar zo is het nou eenmaal, zegt Linda McHugh koeltjes. Haar buurvrouw Anna heeft nog minder boodschap aan dat opgelegde enthousiasme. Ze moet haar hart luchten. Ze heeft nog werk, „maar we zijn net overgenomen”. Ze werkt als caissière bij een drogisterijketen en durft haar achternaam niet te geven, ze vreest haar deeltijdbaan kwijt te raken als haar twijfels openbaar worden.

Anna, de vijftig gepasseerd, zegt het gevoel te hebben dat ze nu „zou moeten verschrompelen en sterven”, want zo wordt dat toch van hen verwacht in deze economie, waar geen plaats is voor vrouwen op leeftijd? „Ik voel me onzichtbaar. Vervangbaar. Gehaat.” En wat pas echt dwarszit: „Ik kan mijn huur ook al niet betalen.”

Hoe Anna’s teleurstelling ook botst met de montere instelling van de Job Club, haar verhaal illustreert waarom de officiële overheidscijfers over de banenmarkt te flatteus zijn. Parttimers die een voltijdbaan nastreven worden bijvoorbeeld niet meegerekend. Om in de statistieken terecht te komen moet een werkloze daarnaast in de afgelopen twaalf maanden actief naar een baan gezocht hebben. En ook aan de naar schatting honderdduizenden die de moed hebben opgegeven wordt voorbijgegaan. Wordt al deze verborgen werkloosheid meegerekend, dan zou het daadwerkelijke percentage 13,9 procent zijn.

Niet iedereen bij Job Club wil geconfronteerd worden met de uitzichtloosheid van de situatie. Een aantal kiest voor wat zij een totale ‘media-blackout’ noemen: ze willen geen krant meer openslaan, geen nieuwsprogramma meer op tv zien en de computer gaat alleen aan om urenlang rond te klikken op vacaturesites. Neem Ivy Moya. Zij heeft vrienden „die smullen van slecht nieuws”, als was het andermans verkeersongeluk. „Maar ik probeer liever gelukkig te zijn”, zegt ze. „Want je kunt er toch niets aan veranderen”, valt Marguerite Pakozdi haar bij. Ze werkte bij Washington Mutual, een bank die in september ophield te bestaan.

„En daarbij”, zegt Paul O’Neil, „het had een stuk erger kunnen zijn.”

Marguerite: „Nu hebben we ten minste nog een dak boven ons hoofd, eten op tafel.”

Paul: „Nu nog ja.”

Hij lacht, maar bedoelt het niet geestig. Binnen vier maanden heeft hij werk nodig, anders kan hij de huur niet meer betalen „en wordt het toch het vreemdelingenlegioen”. Of in ieder geval „is het leven waarin ik zo mooi paste voorbij”.

Paul O’Neil en zijn clubgenoten nemen nu gedwongen afscheid van de tijd dat ze eisen aan hun baan konden stellen, hun leefcomfort perfect moest zijn en ze klakkeloos aanschaften wat bedrijven aanboden. En ze zeggen allemaal dat het hun bevalt.

Ivy Moya werkte bij een verkoper van exclusieve cadeauartikelen. „Onze klanten maakten schulden om onze keramische troep aan te schaffen. Nu koop je geen spullen meer die je niet nodig hebt.”

Maar de Amerikaanse economie is voor tweederde afhankelijk van consumentenuitgaven, inclusief die aan keramische voorwerpen. Loopt dat soort uitgaven verder terug, dan wordt een nieuwe baan vinden nog bewerkelijker, beseffen ook de Job Club-leden. En dus durft van de twaalf maar één te voorspellen binnen drie maanden weer een baan te hebben.

Als groepsleidster Romanoff ter afsluiting vraagt om „wijze woorden die steun geven”, blijft het stil. Ze probeert het nog een keer: wat gaan jullie de komende week doen om positief te blijven? Wandelen. Vrijwilligerswerk. Breien. In de tuin werken. Bidden. O’Neil: „Ik ga een poging doen te overleven.”

De Job Club-regels en meer reportages uit de VS op nrc.nl/kredietcrisis