Coen Stork: terug naar Cuba

Coen Stork (80) was in de jaren tachtig ambassadeur in Cuba. Nu daar vijftig jaar revolutie gevierd wordt, gaat hij samen met fotograaf Kadir van Lohuizen terug, om te kijken of er veel is veranderd in de afgelopen kwart eeuw. ‘De Cubanen worden doodmoe van de schaarste en beperkingen’. Een persoonlijk verslag.

Het idee komt van Kadir. Hij heeft bijna overal gewerkt als fotograaf, maar is nooit in Cuba geweest. Het wordt ook tijd. Het aantreden van Raúl Castro, de verkiezing in de VS van Obama en de vijftigste verjaardag van de Cubaanse revolutie lijken goede aanleidingen.

Kadir weet van mijn Cubaanse verleden en stelt een gezamenlijk bezoek voor. Dat voorstel is niet aan dovemansoren gezegd. Ik heb er als ambassadeur van 1982 tot 1987 een fantastische tijd gehad, een periode waaraan ik vele vrienden en later ook een Cubaanse schoondochter heb overgehouden. Dus: ja, graag!

We willen proberen een beeld te geven van het huidige leven van de Cubanen aan de hand van waarnemingen en gesprekken. Van hun frustraties, hun hoop en hun verwachtingen.

Als uitvalsbasis in Havana reserveren we eerst twee nachten in het mooi opgeknapte hotel Sevilla. De daaropvolgende twee weken verblijven we in de ‘rent room’ van Jesús en Ofelia in Centro Havana. Zo’n ‘Casa particular’ heb ik niet eerder meegemaakt: een kamer en eten bij mensen thuis; alles voor een fractie van de hotelprijs en legaal.

Ik heb een lijstje gemaakt van oude, vertrouwde contacten. Maar vanwege mogelijk afluisteren willen we vanuit Amsterdam nog geen afspraken maken. Ook niet met onze ambassade (die overigens geheel op de hoogte blijkt te zijn).

Voor het verkennen van Havana en de drie andere steden die we aandoen, Matanzas, Santa Clara en Cienfuegos, gaan wij veel te voet. Op een van onze eerste voettochten houdt een jonge man met baseballpet en Canadese fiets ons aan, en zegt tegen Kadir: ‘Aren’t you a photographer from Holland?’ Hij heeft hem herkend van een portretje bij een mini-interview in een fotoblad.

Abel (35) is ook fotograaf en zal verder tolkend en gidsend een rol spelen op onze verkenningsreis.

Suikerfabrieken

Het gaat slecht met Cuba, en dat is het land aan te zien. Tachtig suikerfabrieken – meer dan de helft van het totaal – zijn gesloten. Het braakliggend areaal voor suikerriet groeit nog steeds. In Havana wordt aangeraden op straat te lopen en niet op de stoep vanwege het gevaar van instorting van overhangende gevels en balkons. De enorme schade van drie cyclonen in 2008, wordt slechts moeizaam hersteld. Volgens diverse van onze gesprekspartners zijn de toestanden in de ziekenhuizen erbarmelijk, veroorzaakt door een tekort aan medicijnen en apparatuur.

De Cubanen worden doodmoe van de schaarste, de rantsoeneringen en alle andere beperkingen. Abels computer is onlangs bij een straatcontrole geconfisqueerd omdat hij de bijbehorende vergunning niet kon tonen; een ramp. Groot is ook de onvrede over de onverminderde belemmering van het personenverkeer, dat wil zeggen, het overkomen van familie uit het buitenland – vooral Miami – en andersom, het reizen naar familie in het buitenland.

Dit laatste verwijt men uiteraard niet allen de eigen autoriteiten, maar ook Washington. Daarom is in Cuba het enthousiasme groot over de overwinning van Barack Obama. De Cubanen verwachten verlichting van hem. Al beseft men tegelijkertijd dat hij Cuba niet hoog op zijn prioriteitenlijst zal hebben.

Op materieel gebied zien de Cubanen uit naar een herstel van de economische betrekkingen met Moskou. Hoop wordt gevestigd op efficiënte ontwikkelingsactiviteiten van de Chinezen, ook al zeggen die meteen: ‘you pay’. Het stadsvervoer in Havana is al sterk verbeterd door de splinternieuwe Chinese bussen in plaats van de ‘sovjet-kamelen’ en de afgedankte stadsbussen uit Rotterdam, die naar de provincie zijn verbannen. Onderweg naar Matanzas zien we twee Chinese nederzettingen voor de installatie van olieboortorens. In de week dat wij door Cuba reizen, komen de presidenten Hu Jintao van China en Medvedev van Rusland op bezoek. Op de Venezolaanse president Hugo Chávez rekenen de Cubanen niet echt meer. De ‘zoon van Fidel’ heeft het in eigen huis momenteel niet zo gemakkelijk. Maar politiek en cultureel worden de diverse linkse regimes in Latijns-Amerika op Cuba uiteraard van harte verwelkomd.

Wat er doorsijpelt over de ziekte van Fidel Castro wijst alleen maar op een uiterst kritieke toestand. Een foto van de bejaarde partijleider in de Miami Herald met het bezoekende onderhoofd van de Russisch-orthodoxe kerk lijkt zijn slechte gezondheid te bevestigen. Cubanen geven hem niet lang meer. Zijn beschouwingen in de partijkrant Granma worden in elk geval korter. Maar Fidel blijft aanwezig en speelde het recentelijk klaar om een nieuw boek onder zijn naam uit te krijgen: Vrede in Colombia, over zijn bemoeienissen met de guerrilla aldaar. Het wordt met passie een uur lang besproken op tv voor een groot betrokken gehoor door Abel Prieto, de minister van Cultuur. Van Prieto wordt gezegd dat zijn romantische zwarte manen, een vorm van dissidentie betekenen.

Het aantreden van Fidels broer Raúl (77) als nieuwe president een jaar geleden is door het volk aanvaard. Raúl heeft de naam meer georganiseerd te zijn dan zijn broer, die meer van de grote ideeën is. Raúl zou zich laten omringen door kundige medewerkers en meer aandacht hebben voor de binnenlandse problemen. Er is bijvoorbeeld een nieuwe wet gekomen voor bescherming van ouderen.

Maar de meeste veranderingen onder Raúl zijn cosmetisch, klagen Cubanen. Zoals toegang tot alle hotels en het mogen hebben van mobieltjes. Met een nieuwe wet voor verkoop van het lege land en gebruik voor andere gewassen dan suikerriet, zou de aangekondigde landhervorming meer om het lijf hebben. Maar het ontbreekt de boeren aan materiaal om die omvorming te realiseren en overheidssteun blijft uit.

Het discours en de vermeende bedoelingen van Raúl spreken wel aan, maar de praktijk is lastig. Door de economische crisis, die erger is dan ooit, lijkt het ‘staatsapparaat onbeweeglijk en verlamd’, zoals een van onze meest uitgesproken zegslieden het stelt. Er is geen enkele vorm van een nieuw bestel. Vooralsnog wordt aan het centralisme vastgehouden. Jongere bestuurders zijn niet in zicht.

Met onze huurauto bezoeken we een boerengezin in Consolación del Sur, zo’n 150 km ten westen van Havana. Felipe Marquez, 60 jaar, productor de tabaco, leeft sinds de cyclonen van 30 augustus en 8 september met vrouw en nog een paar familieleden in de opslagschuur, totdat zijn huisje gerepareerd is. Het dak werd er vanaf geblazen, net zoals bij zo’n 30.000 woningen in de regio.

De uitvoering van de landhervorming wordt door al die schade uitgesteld. Ook al doordat voor herstel voorrang wordt gegeven aan steden en dorpen. Toch maakt Felipe geen ongelukkige indruk. Hij is er trots op al 13 jaar lang op zijn anderhalve are niet alleen tabak, maar ook boniato (zoete aardappelen), bonen, tomaten, yuca, rijst en malanga te verbouwen. De producten verkoopt hij rechtstreeks aan de Cooperativo.

Kadir en Abel maken foto’s van de schilderachtige wijze waarop de boeren hun land bewerken. Ploegen gebeurt met twee of vier grote ossen, zaaien (van bonen) door vijf familieleden met blote voeten, om het zaad goed te kunnen toedekken. De zoon van Felipe, midden dertig, is barman in een goed geoutilleerd wegrestaurant aan de autopista naar Pinar del Rio. Hij mocht eerder dit jaar voor het eerst het land uit, om op een toerismebeurs in Versailles een week lang cocktails – mojito’s – te maken. Hij vond dat jachtige gedoe van Parijs maar niks. Daar gingen de mensen de roltrappen zelfs nog rennend op. Hij was blij toen hij weer naar Consolación del Sur (letterlijk: de troost van het zuiden) terug kon.

De intellectuelen protesteren niet meer, zegt Natalia Bolivar (74), een vrouw met een bijzonder verzetsverleden. In de ondergrondse van voor de revolutie doodde zij dertien man. Zelf werd zij in 1958 gemarteld. Men ziet het deze gesoigneerde dame zo niet aan. Ze heeft haar professionele leven als sociologe gewijd aan de Afrikaanse invloed op Cuba en Haïti. Haar laatste boek, Los Orishas en Cuba, gaat over een van de belangrijkste elementen in de vorming van de Cubaanse cultuur: de Afrikaanse religieuze component. Het is een enorme bestseller.

Dit doet me denken aan toen ik in mijn tijd als ambassadeur exemplaren van het meesterwerk El Monte van Lidia Cabrera uit het buitenland meebracht en hoe die door mijn Cubaanse vrienden vrijwel uit mijn handen werden getrokken. Vooral in moeilijke tijden keert men zich naar zijn geloof.

In dit verband is het opvallend hoe druk de missen in de katholieke kerken worden bezocht. Volgens monseñor Carlos Manuel de Céspedes, ‘is de weg van de kerk met Raúl breder en aangenamer’. De Céspedes is de favoriete geestelijke vriend van de schrijvers en de kunstenaars. Hij is ook de drijvende kracht achter het maandblad van het aartsbisdom van Havana, Palabra Nueva. En politiek belangrijk, want wellicht betrokken bij contacten tussen Havana en Washington.

Misschien protesteren de intellectuelen niet meer, omdat zij – althans de schrijvers, de schilders en de cineasten – het relatief makkelijker hebben gekregen. Dat wil zeggen dat ze nu wat vaker het land in en uit mogen voor ‘klussen’, en wat meer van hun inkomsten mogen behouden. Een reflectie van deze verbeterde positie zien wij ook in het museum van Cubaanse kunst. Een enorme collectie met in de moderne afdeling een ruime keuze van werk van beeldend kunstenaars die er toe doen, of ze nu in Miami, Mexico of Europa wonen, of ‘gebleven’ zijn.

Neem het werk van Antonia Eiris, die in 1995 in Miami overleed. Haar dramatisch sombere maar prachtige schilderijen waren lange tijd vrijwel taboe in Cuba. Maar nu worden in het museum acht werken van Eiris getoond. Voorts een schitterend vroeg werk van Arturo Cuenca (1955). Hij was een van de tientallen jongere kunstenaars die Cuba in de jaren negentig verlieten om elders met meer verf, linnen en vrijheid hun heil te zoeken.

Beeldend kunstenaar Choco, oftewel Eduardo Roca (Santiago, 1949), is uiterst kritisch over die uittocht van zijn collega’s. ‘Ze hebben zich vergist. Ze hebben niet gevochten om hier iets te bereiken. Ze verloren hun Cubanía (Cubaansheid). En waar zijn ze nu? Verdwenen, weg!’

Volgens hem is in de laatste drie jaar een nieuwe dialoog tussen politici en kunstenaars ontstaan. Dat strookt ook met zijn enthousiaste mening over Abel Prieto als minister van Cultuur. Hij noemt hem en diens collega van Buitenlandse Zaken als voorbeelden van ‘muchachos talentosos’ binnen het regime. Zelf heeft Choco (bijnaam naar zijn kleur), het kennelijk wél gemaakt. Hij heeft een grote, goed uitgeruste werkplaats op een prestigieuze plek in Havana Vieja. Met personeel voor het maken van grote drukken van zijn werk, dat waarschijnlijk aan toeristen goed wordt verkocht.

Choco vond de Salon van Eigentijdse Cubaanse kunst in een groot pas gerestaureerde oud gebouw aan de prachtige Plaza Vieja een prikkel voor de oudere generatie om niet bij de pakken neer te zitten. Wij zijn bij de opening van die tentoonstelling, waarop een talrijk, vooral jonger publiek is afgekomen.

Homo’s

Kadir is het nachtleven in Havana gaan verkennen. Bij redelijk weer komen op de zeeboulevard Malecón, waar de wijk La Rampa op uitkomt, honderden homo’s samen om te daten. (Bij onredelijk weer zouden ze daar door de spectaculaire spray worden weggespoeld). Deze samenscholing maakt deel uit van een sterke jongerencultuur, die zich deels ondergronds afspeelt. Op de brede, parkachtige Avenida de los Presidentes komen ’s avond ook veel jongeren bijeen voor gezelligheid. Daar wisselen ze informatie over feesten uit. Er zijn wel cafés en nachtclubs, maar die zijn voor de meesten niet te betalen.

We horen gunstige verhalen over een jonge cineast, Pavel Giroud, (36) en krijgen hem later thuis te spreken. Hij studeerde design op de kunstacademie, werd schilder en later filmmaker (Todo por Ella, Omertá). Naar zijn inzicht is van de revolutionaire geschiedenis alleen 1959 echt van belang geweest. ‘Slechts in film en beeldende kunsten bestaat in Cuba werkelijke vrijheid. Daarbuiten vind je vooral funeste zelfcensuur. Cubaanse cineasten zijn moedig.’

Hij vraagt om modernisering van de samenleving; de strijdmentaliteit is verloren gegaan. Hijzelf wil blijven omdat Cuba de plek is waar hij iets kan uitrichten. Het filminstituut ICAIC is in crisis. ‘Het productiemodel is geheel verouderd. Archaïsche methoden worden toegepast.’

De schrijver Reynaldo González (Ciego de Avila, 1940) stond van 1991 tot 2002 aan het hoofd van ICAIC. Hij wijt de slechte toestand daarvan eerder aan een huidig gebrek aan talent. ‘Er is geen groep nu en de filmmakers vervallen in herhaling.’

González blijft ook veel doen aan de rehabilitatie van collega-schrijver José Lezama Lima (1910-1976), wiens chef d’oeuvre Paradiso vanwege de homoseksuele aspecten door de revolutie werd weggestopt, maar dat nu weer in de winkel ligt. Reynaldo, die een van Lezama’s jonge discipelen was, doet dat in het nieuwste nummer van het literaire tijdschrift La Siempreviva, dat door hem wordt geleid.

González vermeldt ook de verschijning van een autobiografisch werk van de overbekende schilder Raúl Martínez (1927-1995). Hij was de revolutie zeer toegedaan en veranderde daarvoor zijn stijl radicaal. Het boek beschrijft zijn homoseksuele relatie zeer expliciet. De publicatie daarvan, zij het postuum, heeft veel aandacht getrokken. Kennelijk is homo-erotiek bespreekbaar geworden, zegt González.

Halfbroers van Che

Mijn oude vriend de schrijver César López (Santiago, 1933) zien we het meest. Drie keer bezoeken we zijn verweerde huis aan de meest noordelijke tip van de Malecón, de boulevard in Havana. Zijn huis wordt gerepareerd. Dat was ook al zo toen ik bij hem logeerde in december 1988, een jaar na mijn vertrek als ambassadeur. Mijn meegekomen zoon Daniel (Helsinki, 1976), logeerde toen bij de oude Guevara en zijn beste Cubaanse vriendjes, de zoontjes uit diens tweede huwelijk en dus halfbroertjes van Che.

Kadir raakt bij López thuis gefascineerd door de hellende, torenhoge boekenplanken, die hun lading elk moment over je kunnen uitstorten. Zoals altijd is César uiterst toegankelijk en behulpzaam. Hij mag al of niet ‘functionaris’ zijn (waarvoor sommigen hem uitmaken), hij blijft een van mijn scherpzinnigste en meest erudiete Cubaanse vrienden. Hij helpt ons aan een bijzonder plezierig contact in Matanzas en stelt ons voor aan twee schrijvers in Santa Clara.

We willen naar Santiago vliegen, maar kunnen geen plaats krijgen. In plaats daarvan maken we met de huurauto een tocht met overnachtingen in Matanzas, Santa Clara en in Cienfuegos.

Matanzas ligt op 100 kilometer ten oosten van Havana. Het ligt ook aan een enorme baai, voor ons van belang omdat Piet Hein daar op vrijdag 8 en zaterdag 9 september 1628 een Spaanse zilvervloot veroverde, die bijna 12 miljoen florijnen waard was.

Voordat we vertrekken heeft César López mij al een mooi boek cadeau gegeven met twaalf gedichten van hem en een inleiding door José Prats Sariol, alles handgemaakt in een kartonnen kaft en een wit lint en gracieuze tekeningen, à la de Nederlandse tekenaar en schilder Cees Bantzinger, alles ontworpen door Rolando Estévez (1953) die een paar uur de tijd neemt om ons ter plaatse wegwijs te maken en te vertellen over zijn kunstzinnige uitgeverij. Hij werkt met een groep van vijftien drukkers, plakkers, knippers en scheurders om tweehonderd exemplaren van een een nieuw ontwerp van hemzelf te produceren, zoals dat eerbewijs aan César López uit 2007. Zijn ouders zijn in 1968 naar Amerika vertrokken. Hijzelf kon niet mee, omdat Cubanen tussen 15 en 27 – de dienstplichtige leeftijd – überhaupt het land niet uit mogen. Hij is inmiddels al drie keer in de VS geweest, en noemt de overwinning van Obama historisch.

Na eerbetoon en zingen voor Piet Hein, die nu zijn standbeeld heeft en uitkijkt op de baai waar hij de zilvervloot veroverde, gaan we op weg naar Santa Clara, driehonderd kilometer verderop en bijna halverwege het eiland. Veel suikerrietvelden en tabaksplantages. De universiteit is na die van Havana de grootste van het land. We nemen onze intrek in hostal Ana, ook weer zo’n casa particular uit de Lonely Planet-reisgids. We vullen onze registratieformulieren in en ik bel Ricardo Riverón (1949), een van de twee door César López opgegeven contacten, voor een afspraak in ons hostal om 10 uur de volgende ochtend.

Santa Clara is eind 1958 bevrijd door de colonne van Che Guevara. Na het vinden en terugbrengen van zijn gebeente uit Bolivia is daar een paar jaar geleden een enorm mausoleum annex museum en monument voor hem en zijn kameraden opgericht. De Che-tegenwoordigheid en -industrie is overweldigend. Overal boeken, foto’s en posters. Bij ons in de straat in Havana, om half acht ’s ochtend roepen honderd scholiertjes, wachtend op tandonderzoek, in koor ‘Seremos como el Che’ (Zoals Che zullen we zijn). Nog eens, harder! En nog eens!

We bekijken verder de stad, en eten ergens, en zoals bijna overal vrij slecht. Om half 9 ’s ochtends zitten we gedrieën (Abel erbij) op het dakterrasje van Ana te ontbijten, als er een gezette man het trapje opkomt, en ons een oproep geeft, met keurig uitgeschreven namen. Of we ons om 9 uur willen melden op het bureau van de Directie voor Immigratie en Vreemdelingen, vlakbij.

Daar zit hij aan zijn bureautje onder een trap. In Abel lijkt hij niet geïnteresseerd en Kadir kent te weinig Spaans. Dus richt Carlos, zoals hij blijkt te heten, zich tot mij. De antwoorden op zijn vragen weet hij eigenlijk allemaal al. Wat we doen? Wie we willen zien? Van wie we die namen en adressen hebben gekregen? En zo voort.

In ieder geval, zegt Carlos, kunnen we niet zomaar culturele persoonlijkheden ontmoeten. Dat moet door de afdeling Relaciones Internationales van het ministerie van Cultuur worden geregeld. Ik sputter tegen, maar Kadir ziet gevaar voor zijn duizenden digitale foto’s en mijn aantekeningen. We besluiten om toe te geven aan zijn eis en inderdaad naar die afdeling van Cultuur toe te gaan, zij het dat we eerst de inmiddels onderweg zijnde schrijvers in ons hostal nog zullen ontmoeten.

Rivéron en Jorge Angel Hernández (1961) zijn er punctueel en we vertellen wat er is gebeurd. Hun reactie is direct en fel. Vooral Jorge Angel, voorzitter van de plaatselijke UNEAC, de schrijversbond, trekt wit weg van woede. ‘Het is een schande. Een belediging voor jullie, maar minstens net zo erg voor ons! Wij mogen praten met wie en waarover we willen.’

Ze gaan met ons mee naar de provinciale cultuurmevrouw en herhalen daar hun klacht. Zij lijkt aan hun kant te staan en Jorge Angel nodigt ons uit om bij hem thuis, daar in de buurt, verder te praten. Dat doen we, maar toch enigszins geïntimideerd, korter en met minder gevoelige vragen zoals: Wat vind je van Raúl?

Ricardo omschrijft henzelf als ‘kritische schrijvers’, wat Jorge Angel toespitst tot ‘kritische revolutionairen’.

We breken ons het hoofd hoe Carlos alles te weten is gekomen. Afluisteren van Cesars telefoontjes naar zijn vrienden? Informatie van Ana, het hostal? De mevrouw van Cultuur belde overigens na ons bezoek naar Ana, om te benadrukken dat sprake is geweest van een betreurenswaardige vergissing. Dissidenten hebben we niet opgezocht. Dat zou onze onderneming hebben bemoeilijkt.

Op de laatste dag gaan we nog een keer langs mijn goede vriendin Naty Revuelta. Uit de periode van ‘la lucha clandestina’ (de clandestiene strijd) van vóór de revolutie heeft zij een dochter van Fidel die in het buitenland zit en voortdurend ageert tegen haar vader. Naty zelf heeft tientallen jaren voor talloze diplomaten en andere buitenlanders in Cuba gefungeerd als vertaler en duider van de Cubaanse cultuur.

We raken onder de indruk van haar intrigerende huis op een heuvel op Nuevo Vedado, de vertrekken vol kunst, boeken en foto’s, nieuw en oud. Wat was ze mooi! en nog steeds, ondanks het verval, met haar priemende ogen. De verpersoonlijking van dat veerkrachtige Cubaanse volk.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Cuba

In het artikel Coen Stork: terug naar Cuba in het maandblad M van 7 februari staat op pagina 28 een fout fotobijschrift. De afgebeelde vrouw op de foto is niet oud-verzetsstrijder Natalie Bolivar, maar Naty Revuelta.