China worstelt met 'Go Global'

China kan niet zonder eigen multinationale bedrijven, wil zijn economie structureel kunnen blijven groeien. Maar bureaucraten zitten de Chinese multinationals in spe in de weg.

Met de komst van de Amerikanen verdween opeens de gegrilde zijderups van het menu in het Pekingse directierestaurant van Lenovo. Het Mandarijn werd na de opzienbarende aanschaf van de personal-computertak van IBM ingewisseld voor het Engels. De Chinese onderneming moest een geheel nieuwe, frisse, multinationale identiteit krijgen, vonden Chinese en Amerikaanse managers gelijkelijk.

De Chinese managers ontdekten dat beleefd en harmonieus zwijgen de oorzaak bleek van veel misverstanden. De Amerikanen kregen opdracht om in de omgang met de Chinese collega’s sportmetaforen als het onvertaalbare „it ain’t over untill the fat lady sings” te vermijden.

„Er is alles aan gedaan om de culturele verschillen tussen China en de VS te overbruggen. Er is heel wat tijd verbruikt met pingpongen en basketballen om in de top van Lenovo een gevoel van gezamenlijkheid te creëren. En toch is de vorming van de eerste multinationale onderneming van Chinese oorsprong mislukt”, stelt George Zhibin Gu, econoom, bedrijfsadviseur in Shenzhen en auteur van China’s Global Reach: markets and multinationals en China And The New World Order.

Hij, en met hem de voltallige Chinese en internationale zakenpers, trekt deze conclusie uit het onverwachte ontslag van de voormalige Amerikaanse worstelaar Bill Amelio (51) als topman van het Chinees-Amerikaanse Lenovo. Na een aantal slechte kwartalen, waarin de verliezen opliepen tot 97,7 miljoen dollar, werd Amelio gisteren opgevolgd door de voorzitter van de raad van commissarissen, Yang Yuanqing (43).

Lenovo-oprichter Liu Chuanzhi(64), de grote man van de Chinese pc-wereld, keert zelfs terug als president-commissaris. Liu kondigde gisteren in Peking meteen een koerswending aan. Lenovo blijft weliswaar een internationale onderneming, maar zal zich hoofdzakelijk concentreren op China, naast verder nog India en Rusland.

„Voor Lenovo is het Amerikaanse en Europese avontuur mislukt”, zegt George Zhibin Gu. „De economische crisis is de hoofdoorzaak, alle pc-fabrikanten kampen met problemen. Lenovo heeft ook door eigen fouten de strijd met HP, Dell en het Taiwanese Acer verloren. Dat stond te gebeuren, want de ontwikkeling van Lenovo tot een echte multinational verliep al voor de crisis zeer moeizaam. Amerikanen en Chinezen botsten voortdurend. Er waren veel spanningen over het grote verschil in beloning, de Chinese bazen verdienden minder dan hun Amerikaanse ondergeschikten. De Amerikanen wilden producten maken voor bedrijven en veeleisende consumenten in de VS en Europa, top of the line-pc’s. De Chinezen wilden Lenovo focussen op de gewone particuliere consument, de kleine zakenman, de middenstander. Zij kregen hun zin, maar het was te laat.”

Gu was in 2004 niet de enige econoom die met de verkoop van de pc-tak van IBM aan het kleine, op militaire leest geschoeide Lenovo een nieuwe economische wereldorde met Chinese multinationals in een hoofdrol zag ontstaan. De overname van IBM door Lenovo werd door economen als Paul Krugman (Princeton, columnist van The New York Times) en journalisten als Richard McGregor (Financial Times) beschouwd als het „symbool van een nieuw tijdperk, waarin een snel groeiend China Amerikaanse iconen opslokt”.

Nobelprijswinnaar Krugman zag Chinezen die Amerikaanse bedrijven acquireren zelfs als bedreiging van de nationale veiligheid. Nog los van het feit dat Lenovo geen staatsbedrijf was, zoals in de VS werd gedacht, en bovendien was geregistreerd in het superkapitalistische Hongkong, zijn deze op Amerikaanse angst gebaseerde voorspellingen niet uitgekomen.

„Er wordt veel onzin verkocht, ook door Nobelprijswinnaars”, sneert George Gu, „Ik moet constateren dat het niet gelukt is van Lenovo een bedrijf met een eigen internationale identiteit en merknaam te maken. Mijn voorspelling, mijn hoop, dat een opkomende economie als de Chinese ook een aantal echte multinationals naar Koreaans en Japans voorbeeld zou creëren, is tot nu toe niet uitgekomen. En ik zie dat voorlopig ook niet gebeuren, want de noodzakelijke economische, structurele en politieke hervormingen zijn opgeschort”.

Gu, een voor Chinese begrippen liberale, vrijmoedige econoom, had gehoopt dat bedrijven als Lenovo een voortrekkersrol zouden spelen in de omvorming van het Chinese staatskapitalisme naar een moderne markteconomie. En: „Wil een land als China over moderne, competente multinationals beschikken – en ik denk dat dat een voorwaarde is voor toekomstige groei – dan hoort daar het hele pakket aan hervormingen bij. Dat proces is stilgevallen, helaas.”

Toch staan in de Global Fortune-500, de pikorde van grootste ondernemingen ter wereld, twintig Chinese ondernemingen. Dat zijn, op Lenovo op de 499-ste plaats na, allemaal Chinese staatsondernemingen: banken, verzekeraars en scheepvaartbedrijven.

George Zhibin Gu: „Dat zijn hele grote ondernemingen, maar geen multinationals. Want hoewel zij zijn genoteerd aan de beurzen van Hongkong en New York zijn en blijven het ouderwetse staatsbedrijven. Staatsbedrijven bovendien met een bijzondere, strategische opdracht: de energie- en kapitaalvoorziening in China garanderen.”

Succesvolle en ook tijdens deze crisis groeiende ondernemingen als Huawei, ZTE en Ningbo Bird, leveranciers van telecomnetwerken en mobiele telefoons, noemt Gu multinationals in spe. „Zij zijn succesvol, zij leveren de techniek, de servers, de netwerken waarmee heel zakelijk en particulier Europa en Azië communiceert. Maar het blijven in de kern Chinese bedrijven en volgens mij zijn het zelfs staatsbedrijven. Van Huawei en ZTE, leveranciers van het Nederlandse KPN, wordt gezegd dat zij zijn voortgekomen of eigendom zijn van het Chinese Volksleger.

„Huawei en ZTE hebben weliswaar overal in de wereld vestigingen, maar hun producten worden gemaakt in de fabrieken in Shenzhen waar de lonen laag zijn. Ze hebben nog geen internationale productieketen. China is hun basis, hun internationale marktaandeel is betrekkelijk bescheiden. En ze profiteren nu van de overgang naar het 3G-systeem voor mobiele telefonie in China. Zij hebben de meeste orders gekregen, de buitenlanders zijn er niet aan te pas gekomen. Allemaal een kwestie van goede relaties met de beslissers in Peking, en van lage prijzen.”

Volgens dr. Li Zhaoxi, onderzoeker in dienst van de Chinese Staatsraad, zoals de regering in China wordt genoemd, zal het nog jaren duren voordat China echte multinationals zal voortbrengen. Voor de naar schatting 30.000 Chinese bedrijven met internationale, „go global”- ambities is de economische crisis in het Westen een lelijke tegenvaller, maar er zijn vooral structurele belemmeringen in China zelf, zegt Li.

„Hoe komt het dat na dertig jaar spectaculaire economische groei nog geen enkel Chinees bedrijf is door gedrongen tot de top-50 van wereldmerken? Hoe komt het dat de Chinese investeringen in het buitenland zo langzaam toenemen? Dat komt door de eigendomsverhoudingen en door de vele, bureaucratische hinderissen”, legt hij uit.

„Nog steeds moet een topmanager van bijvoorbeeld een mooie onderneming als Huawei een speciaal uitreisvisum aanvragen als hij naar het buitenland wil. Nog steeds moeten Chinese ondernemingen als zij in het buitenland investeringen van meer dan een miljoen dollar doen toestemming vragen aan de Chinese ambassade en aan de autoriteiten in Peking.

„De vragenlijsten die Chinese ondernemers moeten invullen zijn bespottelijk gedetailleerd. De procedures om gelden over te boeken en om te wisselen van en naar dollars dateren uit de vorige eeuw. Al jaren zegt de overheid Chinese bedrijven in het buitenland te steunen. Onderzoek heeft aangetoond dat er nog heel veel te verbeteren valt”, zegt Li.

Hij heeft deze kritiek – en dat is bijzonder voor een topambtenaar in China – vastgelegd in het boek Chinese Multinationals dat is uitgegeven door de Parijse businessschool HEC en de Tsinghua Universiteit in Peking. Dat boek is een lang, technisch pleidooi voor de liberalisering van de Chinese economie teneinde China voluit te kunnen laten profiteren van het lidmaatschap van de Wereldhandelsorganisatie en de globalisering. Li: „Dat hele goedkeuringsproces om in het buitenland te investeren ontbeert transparantie, is inefficiënt, lokt corruptie uit en ontneemt Chinese ondernemers de lust om risico’s te nemen. Waar ondernemers prachtige kansen zien, zien ambtenaren en diplomaten excessieve risico’s. Alleen bedrijfsleiders die over hele goede guanxi, over persoonlijke connecties met de politieke leiders beschikken, weten hoe zij die regels moeten omzeilen”.

Chinese ondernemers die nu kansen zien om uit te breiden doordat de beurswaarde van hun buitenlandse tegenspelers voortdurend slinkt, worden door Peking voortdurend gemaand uiterst voorzichtig te zijn. „Er waren vorig jaar plannen om aan dit ouderwetse systeem een einde te maken, maar ik denk dat we nu een paar jaar moeten wachten voordat deze hervormingen worden doorgevoerd. Het gaat heel traag, stapje voor stapje”, zegt Li. De bloedneus die Ping An heeft opgelopen na de ondergang van Fortis, waarin de Chinese verzekeraar een strategisch belang had gekocht, heeft de Pekingse autoriteiten nog voorzichtiger gemaakt.

Vanwege de ambtelijke rompslomp in China zelf en de snelle werking van de internationale kapitaalmarkten trekken Chinese ondernemingen bij voorkeur via Hongkong de wijde wereld in. Maar om die stap te zetten is ook toestemming nodig van het ministerie van Handel in Peking of de overkoepelende Hervormings- en Ontwikkelingscommissie, het hoogste staatsorgaan in de economie. Li: „Ook dit proces is niet transparant en is potentieel corrupt”.

De makers van wasmachines, magnetronovens, kleine wijnkoelers, mobiele telefoons en andere consumentenelektronica als Haier, Galanz en Hisense hebben dankzij hun connecties al jaren geleden toestemming gekregen om via Hongkong hun vleugels uit te slaan. Zij zijn inmiddels, net als de telecomondernemingen, uitgegroeid tot succesvolle ondernemingen met merken die steeds vertrouwder zijn geworden. Haier dankt zijn succes aan de ijskastjes voor Amerikaanse studenten en Galanz aan de verkoop van spotgoedkope magnetrons in Brazilië.

Haier en elektronicaproducent Hisense hebben intussen hun Chinese en internationale takken financieel en structureel van elkaar gescheiden. Haier International is in feite een buitenlands, dat wil zeggen niet-Chinees bedrijf geworden. Een Haier-directeur in Italië hoeft geen toestemming te vragen aan de Chinese economische attaché in Rome als hij meer dan een miljoen dollar wil investeren in een nieuwe productiefabriek. De Hisense-directie in Australië hoefde onlangs geen permissie te vragen aan de Chinese ambassadeur in Canberra toen zij besloot de Australian Open te sponsoren. Een van de grote sportstadions in Melbourne is inmiddels omgedoopt tot ‘Hisense Arena’.

Haier en Hisense, maar ook de telecombedrijven Huawei en ZTE breiden niet alleen hun verkoopnetwerken wereldwijd uit, maar ook hun onderzoekscentra. Het Europese hoofdkwartier van ZTE zal in Den Haag worden gevestigd. Li: „Zonder die onderzoekscentra zouden zij het niet redden. Zonder innovatie en hoge technologie is de groei van de economie niet vol te houden. We hebben Chinese multinationals nodig om buitenlandse kennis te verwerven, om ervaring op te doen, om inzicht in de buitenlandse markten te verwerven, om te leren.”

George Zhinbin Gu formuleert directer: „Met de verkoop van mobiele telefoons, textiel, speelgoed, ijskasten en elektrische tandenborstels worden we geen moderne economische grootmacht. Het is niet voldoende. Als China een lagelonenland blijft zonder merknamen, zonder multinationale ondernemingen, is het einde van de Chinese groei in zicht en verliezen wij van andere, goedkopere landen. Daarom treur ik over de afgang van Lenovo.”