Biljarten met Darwin

200 jaar geleden werd Charles Darwin geboren, op 12 februari. Hoe raak je thuis in zijn werk? Dat gaat het beste via het biljartspel. Atte Jongstra

Wie denkt vanwege het jubeljaar het werk van Charles Darwin maar eens te gaan lezen en meteen de daad bij het woord voegt, voelt zich al gauw verpletterd. Zo verging het mij tenminste. Al sinds jaar en dag wachtten in mijn boekenkast een aantal Darwin-titels op een geschikt leesmoment. Het ontstaan der soorten door natuurlijke teeltkeus, of Het bewaard blijven van bevoorrechte rassen in de strijd voor het bestaan, vertaald door T.C. Winkler. Zevenhonderdtwintig pagina’s. Het Variëeren der huisdieren en cultuurplanten, in de Nederlandse versie van darwinist Hartogh Heys van Zouteveen. Achttienhonderd bladzijden. Dan staat er nog een lijvige biografie en het dagboek van de Beagle-reis (700 pagina’s). Vanwege dat Darwinjaar dacht ik dat het juiste moment nu wel zou zijn gekomen. Ik smeet mij derhalve in het honden- en kattenhoofdstuk van Het Variëeren der huisdieren en cultuurplanten, en werkte me welgemutst door de afdelingen paard, ezel, rund, schaap en geit. Maar toen ik vijfhonderd dichtbedrukte bladzijden later via kool, bonen, aardappelen, druiven, viooltjes en dahlia’s was beland in explicaties omtrent knopvariatie, entbastaarden en rechtstreekse stuifmeelwerking, ja, toen brak het zweet me uit. Een angstaanval volgde. En vragen. Is Darwin wel draagbaar? Is Darwin wel draaglijk?

Je laat je niet op je kop zitten. Ik ontwierp mijn ‘theorie der kapstokhaken’. In het kort komt deze hierop neer. Scan het werk van een auteur op dingen die jou sympathiek voorkomen. Werk je via die dingen zijn oeuvre binnen. Hap snap, het grote werk komt later wel eens. Het zijn de kleine dingen die het doen, en aan die kleine dingen hang je je lezersjas.

Het klinkt misschien eigenaardig in darwinistisch verband, maar voor mij is de beoefening van het biljartspel van levensbelang. Medeliefhebbers van deze sport hebben onmiddellijk een streepje voor. Zo verdiepte ik me uitsluitend omwille van hun verklaarde biljartliefde in leven en werken van bijvoorbeeld Joeri Gagarin, Mark Twain en Marie Antoinette. Toen ik ergens las dat hij in zijn studentenjaren prijsbiljarter was, werd ook de filosoof Immanuel Kant een soort vriend. Je wilt meteen moeite doen om zijn werk te begrijpen.

Goed. Hoe staat het dus met Darwin? Ik mag wel zeggen: veelbelovend. De zoon van Darwin vertelt in zijn Recollections of Charles Darwin (1882): ‘We hadden een biljarttafel. Nu en dan speelde ik een partij met mijn vader.’ Ik maak hier alvast uit op dat Charles Darwin wist hoe hij een keu moest vasthouden. Maar er is méér. In The expression of the emotions in man and animals (1872) heeft hij het over een opvallende eigenaardigheid van veel biljarters. Ik doe het zelf óók: als een bal zich in een ongewenste richting begeeft, probeert de speler hem door suggestieve bewegingen van bovenlichaam en schouders alsnog de goede kant op te sturen. De spijker op zijn kop. Sympathiek. Probleem met deze biljartpassage is wel dat Darwin hem uit een boek van ene Gratiolet haalde, en die had onze biljarter weer opgedoken uit een studie van zekere Chevreuil. In The variation of animals and plants under domestication (1875) lijkt dan toch sprake van onvervalst darwiniaanse biljartliefde. ‘I have seen the Beauty of Billiard’, schrijft Darwin. Maar wederom: helaas. Het gaat hier om een witte roos, zij het om een roos met een sympathieke naam. Tja.

Nog één poging levert godzijdank overtuigend materiaal op. ‘We hebben een biljarttafel laten plaatsen en ik merk dat het me erg goed doet’, zo schrijft Darwin op 24 maart 1859 aan zijn neef Fox. ‘It drives the horrid species out of my head.’ Wat? Juist! Darwin vergeet zijn Origin of Species zodra hij de biljartkeu pakt, en dat in het jaar waarin dit meesterwerk verschijnt? That’s the spirit!

Ik begon mijn verkenningen bij biljart, maar daar bleef het niet bij. Darwins werk is te massaal, te zwaar voor één verkenningstocht. (Kijk zelf maar op http://darwin-online.org.uk.) Nog steeds laat je Darwins gravende wormenwerk The formation of vegetable mould, through the action of worms uit 1881 even liggen. Je gaat even voorbij aan de grote boeken over de slingerende bloemgesticulatuur, orchideebevruchting en insectvretende plantaardigheid. Voorlopig nog mijn lezersjas aan kleine dingen gehangen. Zo is er een vertederend essay over de vliegroutes van de hommel. Darwin deed tussen de jaren 1854 and 1861 onderzoek naar dit fascinerende verschijnsel, geholpen door vijf of zes van zijn kinderen. Erg bekend werd dit hommelstuk niet. Het dook veel later op in de papieren van de autoriteit op het gebied van insect-bloemrelaties, professor Hermann Müller uit Lippstadt. Het blijkt dat de gemiddelde hommel zestien kilometer per uur haalt, maar dat dit gemiddelde ernstig wordt gedrukt door oponthoud bij wat Darwin ‘bromplaatsen’ noemt. Je zou het bijna bezinningspauzes noemen, deze vluchtonderbrekingen. Als Darwin bloemen van een bromplaats plukt, of er de schors van een boom verwijderd, blijft de hommel van dienst op diezelfde plek brommen. Waarom? Darwin komt er niet helemaal achter. Ook dat is sympathiek. Hetzelfde geldt voor een brief die Darwin schrijft aan zijn medeleden van de ‘Friendly Club’ in woonplaats Down. Dit was een soort gemeenschappelijke weerstandskas bij ziekte, werkeloosheid, pensioen en begrafenissen, waarvan Darwin maar liefst dertig jaar penningmeester was. Ik lees er een aardige man in.

Nog wat verder in de Darwinbrieven gebladerd. Ik lees: ‘De heer Mansel stuurde me uit Natal een klein pakketje sprinkhaanstront, met de mededeling dat wordt aangenomen dat de sprinkhaan langs excrementaire weg nieuwe planten kan introduceren.’ Nog een citaat: ‘Een van mijn zonen vertelt dat je aan de kust van Noord-Wales met een kale vishaak vaak jonge mosselen bovenhaalt die zich aan de punt hebben vastgezogen, maar ik moet op dit stuk nog verdere studie maken.’ En de laatste: ‘Mijn grote fout is haast. Ik krijg een idee, ik denk er een paar dagen over na en schrijf dan een eind weg, aan de hand van de voorbeelden die me invallen terwijl ik aan het werk ben. Daarbij kijk ik naar een onderwerp bijna uitsluitend vanuit één invalshoek.’

Het zal voor iedereen anders zijn, maar wat mij betreft: voldoende voorwerk. Biljarten, hommelbromplaatsen, burenhulp, bescheidenheid. Voor Darwin wil ik moeite doen. Het is tijd voor de grote werken. Waar zal ik beginnen? Ik kijk nog eens in zijn oeuvrelijst en aarzel even. Dan volgt een besluit: ik ga alles lezen. Het begin maakt dus niet uit. Het orchideebevruchtingsboek dus maar: On the various contrivances by which British and foreign orchids are fertilised by insects (1862). Vast een heerlijk boek.