Wij zijn inmiddels allemaal Dijsselbloemisten

Aleid Truijens: Wij eisen les! Waarom kinderen steeds minder leren Meulenhoff, 288 blz. blz. € 18,-

Ewald Engelen: Milde meritocratie Stichting Waterland, € 10,- Te bestellen via www.waterlandstichting.nl

Een recensent die een oordeel moet uitspreken over het werk van een pamflettist en een columnist weet één ding zeker: zijn werk heeft een hoog visverpakkingsgehalte. Dat is geen van de betrokkenen te verwijten. Een goed pamflet is nu eenmaal een georganiseerde woedeaanval en een gebundelde reeks columns kan ook niet veel meer zijn dan een rijtje momenten van opwinding. Als de eeuwigheidswaarde van een recensie van boven begrensd wordt door de houdbaarheidsdatum van het gerecenseerde, dan is bovenstaande conclusie onvermijdelijk.

Het pamflet van Ewald Engelen en de columns van Aleid Truijens gaan over onderwijs en onderwijsbeleid. Ze zijn uitstekend geschreven en verwoorden voortreffelijk wat velen voelen: het gaat niet goed. Althans: niet goed genoeg.

Dat gevoel is opmerkelijk, al was het alleen maar omdat het steeds sterker wordt. Permanente onvrede over elk onderdeel van overheidsbeleid, inclusief onderwijs, hoort bij een goed functionerende democratie. Zittende ministers horen hinderlijk gevolgd te worden. Het opmerkelijke van de onderwijs-onvrede is alleen dat zij zich niet zozeer richt op de zittende minister, als wel op de totale overheidsbemoeienis met het onderwijs in de laatste decennia. Het parlementaire onderzoek naar die bemoeienis moge sporen van haast vertonen, maar het valt niet te ontkennen: wij zijn inmiddels allemaal Dijsselbloemisten.

Het ontstaan van die brede onvrede heeft veel te maken met waarnemingen van bezorgde ouders en boze leraren. Aleid Truijens behartigt hun belangen op overtuigende wijze. In Wij eisen les verlangt zij een einde aan ondoordachte onderwijsvernieuwing en de terugkeer van een onderwijssysteem waarbinnen met inzet en toewijding gedoceerd en geleerd wordt. Dat vraagt om beter betaalde, beter opgeleide en beter gemotiveerde leraren, die niet benauwd zijn om aan de overdracht van harde feiten voorrang te verlenen boven de overdracht van vage competenties.

Ewald Engelen denkt te weten waar het door komt en hoe het verder moet. In het door de Stichting Waterland uitgegeven Milde meritocratie bepleit hij een overtuigende onderwijsagenda voor de 21ste eeuw, die afrondt waarmee in de 20ste werd begonnen: een onderwijssysteem waar individuele verschillen in sociaal- economische herkomst worden geëlimineerd ten gunste van individuele verschillen in intellectueel-cultureel talent, een onderwijssysteem ook dat meritocratisch is in het verlangen van prestaties, maar mild in het accepteren van een enkel tussentijds uitglijertje.

Die twee visies zijn uitstekend verenigbaar en het lijdt geen enkele twijfel dat er voor beide brede maatschappelijke steun valt te mobiliseren. Ze verdragen zich beide ook heel goed met de opmerkelijke richting die het Nederlandse onderwijs insloeg als gevolg van de ruim een eeuw geleden gevoerde Schoolstrijd: relatief onbeperkte financiële steun van de overheid, tegenover relatief beperkte inhoudelijke bemoeienis.

Zo beschouwd gaat een groot deel van de opnieuw opgelaaide onderwijsdiscussie niet eens meer zozeer over het ideale systeem, als wel over de vraag wat ieders rol zou moeten zijn om dat systeem dichterbij te brengen en veilig te stellen. Ieders rol: de overheid kan het natuurlijk niet alleen (al heeft Aleid Truijens in dit opzicht toch nog hoge verwachtingen). Ouders moeten niet alleen invloed verlangen, maar die ook willen uitoefenen (en zich daartoe beter organiseren). Leraren moeten niet alleen beter betaald en opgeleid willen worden, maar ook hun rol hervatten van een zelfbewuste onderwijsprofessie (en zich daartoe beter organiseren). Onderwijsinstellingen moeten niet alleen ruimte vragen, maar die ook overtuigend benutten (en zich daartoe ook al beter organiseren). Gevraagd: een nieuw en beter evenwicht van macht en invloed tussen al deze en nog andere partijen, die terecht belang vermoeden te hebben bij het betere onderwijs dat de Nederlandse kenniseconomie nodig heeft.

Dat wordt dus lastig. Want het gaat enerzijds om precies maatwerk: iedere leerling is anders en geen talent mag verloren gaan. Maar het gaat anderzijds om brede standaarden: een diploma is een diploma is een diploma.

Dat laatste moet vooral door een nationale overheid veiliggesteld worden. Dat eerste is misschien voor die nationale overheid wat veel gevergd, zoals bleek toen een welvarend grootstedelijk gymnasium een goed bedoelde, maar niet direct nodige royale allochtone leerlingenpremie mocht incasseren.

Binnen dat betere evenwicht kunnen de ouders en leraren, al dan niet bij monde van Aleid Truijens, gehoord en betrokken worden, kunnen de schoolbesturen de (niet onbegrensde) ruimte krijgen die Ewald Engelen voor hen verlangt, kunnen voorschoolse en naschoolse (permanente) educatie de extra aandacht krijgen die ze allebei zo terecht bepleiten, en kunnen we – nu ook met instemming van minister Plasterk – nog eens rustig nadenken over de voor- en nadelen van vroege selectiviteit binnen het Nederlandse onderwijs.

In het aanwakkeren van dat debat spelen Ewald Engelen en Aleid Truijens een nuttige, complementaire rol. Ze zijn het niet op alle onderdelen met elkaar eens (met de laatstgenoemde ben ik bijvoorbeeld enthousiaster over een – aangepaste – CITO-toets dan de eerstgenoemde), maar ze zetten gezamenlijk een koers uit waar dringend behoefte aan bestaat.