Wat Orhan Pamuk zoal schreef naast zijn romans

Orhan Pamuk: De andere kleuren. Vert. Hanneke van der Heijden. Arbeiders-pers, 525 blz. €32,50

Meermalen vertelt de Turkse schrijver Orhan Pamuk in de onlangs verschenen artikelenbundel De andere kleuren het traditionele liefdesverhaal van Shirin en Khosraw na. Een dienaar van de laatste wil dat die twee op elkaar verliefd worden. Daartoe vervaardigt hij portretten van ieder van hen en zorgt ervoor dat de één de ander in afbeelding te zien krijgt. Inderdaad slaat de liefde toe. Maar als ze elkaar voor het eerst ontmoeten, weet Shirin het niet zo zeker meer. ‘Is dít nu de persoon op wie ik verliefd geworden ben,’ vraagt ze zich in stille onzekerheid af. Zo is het ook met ons, concludeert Pamuk dan: ‘Wij vragen ons net als Shirin af: is de werkelijkheid het echtst, of de beeltenis? Welke van de twee daagt ons in het leven eigenlijk het meest uit?’ Dat is een van de kernvragen die Pamuk in zijn romans steeds weer oproept en die hij in deze bundel opnieuw van commentaar voorziet.

In deze verzameling columns, beschouwingen, toespraken, interviews en notities geeft Pamuk zich zo stukje voor stukje bloot. Hij vertelt over zijn dagelijkse beslommeringen en reacties op grote gebeurtenissen als de aardbeving in Istanbul of de elfde september. Maar ook bewijst hij eer aan schrijvers die hem inspireerden: Nabokov, Vargas Llosa, Laurence Sterne (in een prachtig stuk dat als Tristram Shandy geschreven is), Thomas Bernhard, Dostojevski.

En hij vertelt over zijn eigen boeken: hoe die tot stand kwamen, hoe hij erop terugziet, en – in een paar schitterende beschouwingen over de Osmaanse miniatuurkunst – hoe hij bij het schrijven van Ik heet Karmozijn zélf pas goed naar die traditionele tekeningen heeft leren kijken.

Niet alles is even goed in De andere kleuren. Het boek begint met een selectie van de columns die Pamuk in de jaren negentig schreef voor het tijdschrift Öküz: schetsen uit het dagelijks leven die hij ‘meestal in één keer op papier zette’ en dat is helaas te merken. Maar snel wordt de bundel fascinerender: een mengsel van mijmering en autobiografie zoals Pamuk dat ook in Istanbul beoefende.

Nu eens is de kleine jongen aan het woord die zijn ooms verlangend en bewonderend over Europa hoort praten – om hen later als volwassen man te horen praten over ‘de verdorvenheden van westerlingen met het taalgebruik van de eerste de beste schuimbekkende straatvechter met een minderwaardigheidscomplex.’

Dan weer vertelt hij over zijn kennismaking met De vertellingen van duizend-en-één-nacht en de invloed daarvan op zijn roman Het zwarte boek. Wellicht het fascinerendst wordt deze bundel wanneer Pamuk over de wordingsgeschiedenis van zijn eigen romans spreekt. In een impressionistische selectie van interviewfragmenten vertelt hij hoe het thema van Het nieuwe leven hem daagde.

Sneeuw krijgt een nieuwe dimensie met de dagboekaantekeningen die Pamuk bijhield tijdens zijn bezoeken aan de Turkse grensplaats Kars waar de roman zich afspeelt. Die laatste zijn bovendien de enige waarin het probleem van de politieke islam even om de hoek komt kijken. Anders dan over de Koerdische kwestie, de massamoord op de Armeniërs en de jaren van de Turkse dictatuur ontbreekt dat thema in dat boek nogal opvallend.

Pamuks blik is die van de maatschappelijke toplaag uit Istanbul, die het moderne leven omarmt maar die – zoals hij in een mooi interview in The Paris Review zegt – oost en west op een organische manier zou moeten samenbrengen. ‘Ik probeer in mijn boeken hetzelfde te doen’, voegt hij daaraan toe. Maar sceptisch concludeert hij: ‘Waarschijnlijk is dat iets wat nieuwe generaties pas zal lukken’, geholpen door een door hem fel gewenste toetreding van Turkije tot de EU.

Ger Groot