Voor je het weet, sta je in Carré

Na het bekroonde ‘Dood en verderf’ was cabaretier Kees Torn toe aan iets luchtigers. Geen harde grappen en hartverscheurende liedjes over de gestorvenen om hem heen. Maar ‘Einde verhaal’ werd toch weer persoonlijk. „Met liedjes geef ik mijn leven zin.”

In de bistro in Goirle bestelt Kees Torn een hazepeper. Zijn technicus, die gamba’s neemt, zegt dat zijn nieuwe programma over geloof gaat. Ja, zegt Torn, maar soms denk ik dat het over verwondering gaat. Ze praten over The God delusion, de bestseller van Richard Dawkins waarin het geloof compromisloos wordt geattaqueerd. „Dat is precies wat me bezighoudt”, zegt Torn. „Toen ik het las, moest ik me inhouden om niet het hele boek op toneel na te vertellen.”

Het is minder dan twee weken voor de première van Kees Torns achtste programma, Einde verhaal, en na bijna drie maanden van try-outs wacht vanavond Goirle. Vlak voor het optreden speelt Torn zich kort even warm, zonder zich om te kleden, want zijn kostuum is nog niet af. Op de vleugel staat een fles whisky, die de koudetheecheck niet doorstaat. De alcoholgeur is penetrant. „Er zit maar een borrelglaasje whisky in, de rest is water”, beweert Torn. „Het zou niet anders kunnen, want ik drink de hele fles leeg.”

Kees Torn (Oostburg, 1967) maakt oercabaret, waarin liedjes centraal staan. Hij is minder bekend dan hij zou moeten zijn, met zijn onverhoedse, onderhuidse grappen en geestige puntrijmen. Maar hij heeft geen zin om dvd’s en cd’s te maken en hij komt niet op tv. „De Vara wil mij niet uitzenden. Daar leeft het idee dat een liedje een zapmoment is. Mijn liedjes niet! Liedjes zijn de bakermat van het cabaret.”

Zijn praatjes tussen de liedjes door zijn er voornamelijk om hem naar het volgende liedje te brengen. Zo ook ‘Einde verhaal’, dat losjes scharniert rond onderwerpen als roem, meisjes, geloof en familieruzies, aangevuld met rake parodieën op klassieke dichtregels. Drie hekelliedjes zijn gemaakt met een ‘als je’-formule: ‘Als je niet kunt luisten, dan hou je nooit je smoel. Als je geen karakter hebt, dan word je nooit een vent. Dan word je toch gewoon een wijkagent.’ Helemaal Torn de plezierdichter.

Voor zijn vorige voorstelling Dood en verderf ontving Torn de Poelifinario, de prijs voor het ‘meest indrukwekkende’ cabaretprogramma. „Deze keer heb ik al het indrukwekkende weggelaten,” zegt Torn, „anders win ik weer. Het programma is daarom ook een uur korter.”

Enkele dagen later, in sigarenbar Tin Tin in Rotterdam, vertelt Torn dat hij wacht op zijn enige decorstuk. „Mijn concentratie lijdt onder het rookverbod. Dus heb ik van mijn decor maar een rookcabine gemaakt, kan ik toch op het podium een sigaar roken. Het wordt een soort bushalte.”

Verandert er verder nog veel?

„Nee, alleen wat montagedingetjes. En ik wil nog een slotlied schrijven. Ik weet ongeveer wat ik zeggen wil, maar ik formuleer het elke avond opnieuw en dat pakt de ene keer beter uit dan de andere. Daarom oog ik onzeker waarschijnlijk, want ik ben ter plekke aan het nadenken over wat ik aan het doen ben. Beetje stom, ik leer geen teksten uit mijn hoofd.”

Is het niet vervelend om fouten te maken?

„Als ik het uit mijn hoofd zou doen, herhaal ik me elke avond en dat zou me vervelen. Maar ik baal van iedere verspreking en ieder foutje. Dat ligt meestal aan de muzikale begeleiding. Dan blijft er een toets plakken. Soms mis ik een interval. Dan is het piano spelen niet automatisch meer en gaat de aandacht naar de nootjes.”

Oefent u wel?

„Ik oefen voortdurend.”

Ik kan me niet voorstellen dat u een foutloos programma speelt.

„Twee keer! In mijn hele carrière. Geen beste score.”

Voelde u druk na het winnen van de Poelifinario?

„Nee, dat is een grapje. Maar ik probeer in de luwte te blijven. Je moet uitkijken dat je niet te beroemd wordt. Voor je het weet sta je in Carré. Cabaret moet kleinschalig zijn. Het moet iets samenzweerderigs houden.”

Welke invloed heeft uw regisseur Onno Innemee?

„Ik ben een schrijver die in plaats van verhalen steeds maar liedjes aflevert. Die zet ik dan op muziek. Dan heb ik opeens twintig liedjes. Onno wil daar theater van maken. Hij heeft iets met het visuele en de dynamiek van theater. Ik zit het liefst de hele avond op mijn kruk.”

Belangrijk element in ‘Einde verhaal’ is uw familie. Er klonk oprechte gekrenktheid door in het nummer over uw verpeste jeugd.

„Dat is geen toeval. Zo’n liedje schrijf ik uit woede. De kunst is om het zo in elkaar te zetten dat het om te lachen wordt. Wat moeilijk is, want het is eigenlijk heel treurig.”

Waar bent u zo woedend over?

„Hoeveel programma’s heb je gezien? Woede is een van mijn drijfveren. Dat levert iedere keer weer vele nummers op. Het is een betere drijfveer dan verliefdheid.

„Ik heb erg last van het egocentrisme van mensen. Je kunt een kind voor zijn leven beschadigen door telkens maar tegen hem te zeggen dat-ie lelijk is of dat-ie niet voldoet.

„‘Je bent precies je vader!’ Dat was een opmerking die gedachtenloos links en rechts werd uitgeserveerd, als refrein. Maar sinds ik aan cabaret doe, krijg ik te horen: ‘Je vader was ook zo grappig’.

„Mensen denken niet na voor ze iets roepen. En overzien de gevolgen er niet van. Nog steeds niet, hoor. Wat dat betreft verandert er niks. Het levert alleen een liedje op. Zo probeer ik alles in mijn leven zin te geven: door er een liedje over te maken.

Is het waar dat u bent zoals uw vader?

„Ik heb hem nauwelijks gekend. Ik heb maar één keer een goed gesprek met hem gehad, vlak voor hij stierf. Ik was 19. Tien jaar geleden schreef ik een nummer over hem, Streepjescode, en daardoor heb ik veel mensen leren kennen die hem goed gekend hebben. Buurmannen, leerlingen, vrienden, mensen bij wie hij ondergedoken zat in de oorlog, ex-vriendinnen. Die hadden andere dingen over hem te melden dan mijn eigen familie. Want het beeld waar ik mee opgevoed ben, is dat hij een egoïstische alcoholist was, een waardeloze luilak, die mijn moeder verraden heeft en agressief was. Ongelovig!

„Ik kreeg brieven. Iemand zei dat hij de liefste man was die hij ooit ontmoet had.

„De woede van mijn vader zat diep. Ik heb dezelfde eigenschappen, de woede, de piekerige aard. Ik ben een enorme tobber. Ik trek alles in twijfel. Ik denk automatisch het tegenovergestelde als iemand iets beweert. ‘Zou dat nou? Is dat wel zo?’

„Ik dacht dat je verongelijkt over je eigen bestaan wordt geboren. Maar die woede komt voort uit het geloof. Je bent schuldig. Dat levert frustratie op. Je bent je van geen kwaad bewust als kind en opeens moet je om vergeving vragen. En hangt het bestaan van je ziel af van de genade van een schepper. Het zit ziek in elkaar. Ik ben aan het loskomen van die hele vracht.”

U zegt in uw voorstelling: ‘Ik ben van mijn geloof gevallen’. Wanneer en waarom is dat gebeurd?

„Door het doodgeboren kindje – Josefien, over wie ik zing in mijn vorige programma. Het was niet mijn kind, maar van mijn ex. Toen dat vijf jaar geleden gebeurde, verloor ik mijn laatste restje hoop dat een mens een ziel heeft. Dat hoopte ik, omdat ik mezelf ook opgesloten voel in mijn lijf. Maar ze was gewoon een mensje, zo dood. Een stukje natuur.”

Gaf dat een schok?

„Nee, ik werd er rustig van. De angst viel weg. Bij mij heeft het geloof alleen maar angst opgeleverd. In de kerk werd gedreigd met de hel. ‘Gij zult niet oordelen’ was een gebod waar ik het moeilijk mee had. Ik oordeel snel. ‘Gij zult geen gesneden beeld maken.’ Terwijl ik tekenen zo leuk vond. Het nadenken werd me verboden, daar komt het op neer.”

Lastig voor een cabaretier.

„Ja, tenzij je Guido Weijers heet.

Had het van uw geloof vallen nog meer gevolgen?

„Ik ben van mijn depressies af! Ik geniet me suf. Dat mag opeens. Ik dans en dartel door de dagen. Niet dat ik me ga misdragen. Fatsoen is niet iets wat alleen christenen hebben of dat uit de Bijbel komt. Dat is een fabeltje.

„Op het toneel spot ik wat met rituelen. En leg ik uit wat er met mij is gebeurd. Ik ga niet tekeer.”

Dat past u misschien ook niet?

„Nee, ik wil niet zo’n type cabaretier worden. Ik wil amuseren, niet preken.”

Wanneer is iets grappig?

„Dat heeft met spanning te maken, met conflict. Bijvoorbeeld als een verhaal niet klopt, maar logisch klinkt. Voor sommige mensen moet humor dik aangezet worden. Ze zitten op de klap op de vuurpijl te wachten. Maar de vuurpijl ìs de klap. De rest moet je in je hoofd erbij verzinnen. Dat lukt niet iedereen.”

Heeft Drs. P u het meest diepgaand beïnvloed?

„Niet het meest diepgaand. Maar toen ik na zijn dood in het verder door mijn familie leeggeroofde huis van mijn vader kwam, vond ik daar een plaat van Drs. P. En toen ik dat hoorde, snapte ik hoe het moest. Ik dacht: dit kan ik ook wel. Tot die tijd dacht ik dat je een soort Wim Sonneveld moest zijn en een opleiding moest hebben.

„Drs. P is geen geschoolde zanger en hij is geen begenadigd pianist, maar die teksten kloppen als een bus. Toen ben ik liedjes gaan maken. Ik werd verliefd op het metrische, de ordening van de lettergrepen.

„Orde bevalt me, want ik zit met veel chaos in mijn kop. Er is zoveel wat ik niet snap en wat ik niet weet. Als je dan een sonnet of iets regelmatigs schrijft, lijkt dat waar.

„Een lied is lekker helder en concreet en onberispelijk. Het is wel een hoop gepuzzel en het vergt veel oefening om ervoor te zorgen dat het ongeforceerd klinkt. Het moet klinken als spreektaal, alsof ik het uit mijn mouw schud, terwijl iedere lettergreep op zijn plek staat.

„Maar Drs. P heeft het in zijn teksten nergens over. Ik wel. In zijn vorm. Verder hebben we niks gemeen. Behalve dat we sigaren roken en afkerig zijn van theater. De tekst moest zijn werk doen.”

U kapittelt de critici in uw programma.

„Dat is de enige manier om wat terug te doen. Ik word steeds afgeschilderd als een stuntelige jongen die zijn tekst niet kent, maar ik ben gewoon geen acteur. Een programma is als een partituur, je kunt er alle kanten mee op. Ik ben jaren uitgemaakt voor de traagste cabaretier van Nederland. Ik ga juist veel te snel. Het is veel te veel tekst en informatie. Maar ze schrijven dat omdat ik niet schreeuw. Terwijl iedereen op het podium dat wel doet. Een goede tekst heeft geen stemverheffing nodig.”

Werkt u dat schutterige niet zelf in de hand?

„Het zit in mijn motoriek, in hoe ik loop. Dat laat ik maar zo. Als ik een zelfverzekerde motoriek had gehad, zou het waarschijnlijk nooit iets met me geworden zijn.”

Is het lastig om veel over uw eigen leven te vertellen op het podium?

„Nee. Wel als het raakt aan de intimiteit van iemand anders. Ik vond het moeilijk om het over de doodgeboren baby van mijn ex-vriendin te hebben. Dat is in nauw overleg gegaan.”

Hoe schrijft u een liedje over een doodgeboren baby?

„Ik ontkwam daar niet aan, daar ging Dood en verderf over. Het sterven ging het hele jaar door. Na zes try-outs waarin ik het niet over haar dood had, voelde ik me een lafaard, omdat ik er wel de hele tijd aan dacht. Ik moest Josefien noemen. Er moest een liedje komen.

„Ik heb eerst aan mijn ex-vriendin, José, gevraagd: hoe zou je het vinden als ik een liedje schrijf? Ze barstte in huilen uit, ze vond het een mooi idee.

„De toonsoort wist ik al, E-groot, de toonsoort van de liefde. Ik hou erg van het laatste deel van het requiem van Fauré. Het werd iets in die geest, met een bepaalde cadans. Het liedje kwam regel voor regel. Ik heb het jankend geschreven. En elke regel las ik José voor. Het werd ook een liefdesverklaring aan haar. Ik zeg tegen dat kind: je had moeten leven, dan had je zo’n leuke moeder gehad.

„Ik wist niet of het wel kon in een cabaretprogramma, maar toen José het gehoord had, zei ze: ‘Ik vind dat je het moet doen.’

„Elke avond zat ik mijn wonden open te halen. Ik was zo blij dat de tournee voorbij was. Ik moest niet denken aan het moment dat ik het meisje dood zag, maar me concentreren op de lettergrepen, de woorden, de nootjes. Dan sloeg ik me er wel doorheen. Het was geen pretje.”

U zucht er weer van.

„Ja. Daarom is Einde verhaal lichtvoetiger. Ik wilde dat mezelf niet nog een keer aandoen. En het publiek ook niet.”

Kees Torn: ‘Einde verhaal.’ Tournee t/m eind mei. Info: www.harrykies.nl. De première was gisteravond. Zie voor een recensie de kunstpagina.