Treurig, Jan Peter

De premier houdt het enquête- en vragenrecht over de Irak-oorlog buiten de deur.

Zo laat de regering de Grondwet versloffen.

In het Kamerdebat van woensdag is één belangrijke vraag onbeantwoord gebleven: waarom wil premier Balkenende liever geen parlementaire enquête? De voordelen van zo’n enquête zijn evident: getuigen die niet vrijwillig willen komen, kunnen worden gedagvaard; verklaringen worden onder ede afgelegd; de verhoren zijn openbaar. Dat laatste is het grote verschil met de commissie-Davids, die zijn werk achter gesloten deuren zal verrichten.

Net zoals bij parlementaire beraadslagingen is het juist de openbaarheid van de enquêteverhoren die een sterke legitimatie oplevert. Iedereen kan zelf nagaan wat de gronden zijn waarop de conclusies worden gebaseerd. Dat is voor de enquêtecommissie wel eens lastig, want meningsverschillen kunnen niet worden opgeborgen in wollige teksten. Maar voor de publieke zaak is openbaarheid onmisbaar. Conclusies van onderzoekscommissies zijn zelden helemaal vrij van de verdenking dat niet alles grondig aan de orde kwam. De enige garantie dat er behoorlijk is gewerkt, ligt in de kwaliteit van de commissieleden – en daar kan men zich in vergissen.

In het geval van de oorlog in Irak komt er nog iets bij. De vraag die beantwoord moet worden, geeft geen eenduidig ja of nee. Het gaat om een speurtocht naar het oordeels- en besluitvormingsproces. En juist voor zoiets is een parlementaire enquête het passende middel.

Er valt veel te zeggen over het gemak waarmee de PvdA indertijd in een hotelkamer het enquêterecht inleverde voor een schotel linzen. Vermoedelijk heeft men zich niet goed gerealiseerd dat het hier niet ging om een alledaags verhandelbaar punt maar om een constitutioneel recht dat een van de basisprincipes is van de parlementaire democratie. Vermoedelijk heeft men zich ook niet gerealiseerd dat het ging om iets wat in de geschiedenis van ons koninkrijk nog nooit eerder was gebeurd: steun aan een aanvalsoorlog. In de afgelopen twee eeuwen is Nederland bij heel wat militaire acties betrokken geweest. Maar van directe betrokkenheid bij een aanval op een soevereine staat was tot dusverre nooit sprake.

De wijze waarop het ging, doet denken aan de smoezelige manier waarop het in Frankrijk gaat met de zwarte prijs bij de verkoop van huizen. Als de akte klaarligt met de officiële (witte) prijs, verwijdert de notaris zich even, zodat partijen de clandestiene prijs kunnen effectueren zonder dat een en ander uit de akte valt op te maken. In Beetsterzwaag werd het enquêterecht weggegeven buiten aanwezigheid van de informateur en het coalitieakkoord zwijgt erover.

Waarom wel een onderzoekscommissie en geen enquête? Omdat eergisteren op die vraag geen overtuigend antwoord is gekomen, rijst het vermoeden dat het juist de openbaarheid is waar Balkenende niets van moet hebben. Het zou mij niet verbazen als hij het openbare verhoor door een enquêtecommissie als een grote bedreiging van zijn politieke prestige en carrière zou beschouwen. En tegen die bedreiging wil hij zich met alle beschikbare middelen verzetten.

Dat is een tijdlang goed gelukt. Totdat de pers met onthullingen kwam die de steun van PvdA en de ChristenUnie begonnen te ondergraven. Dank zij de persvrijheid gebeurde wat het parlement eigenlijk had moeten doen: informatie verzamelen.

Uit overwegingen van damage control is toen de commissie-Davids bedacht. Schadebeperking door rust tot november – en daarna zien we wel verder. Zo ongeveer moet in het Torentje zijn overwogen. Het is een bekende noodgreep: commissies zijn makkelijk samen te stellen ; ze leveren altijd een periode van stilte op; lastige vragen kunnen onbeantwoord blijven, want de commissie moet eerst rapporteren.

Maar in dit geval is het een treurige oplossing. Opnieuw heeft onze premier het klaargespeeld om het enquêterecht buiten de deur te houden. En niet alleen dat: ook het vragenrecht staat buitenspel. Alle vragen over Irak blijven onbeantwoord zolang de commissie nog niet heeft gerapporteerd.

De parlementaire meerderheid vindt deze twee inbreuken op grondwettelijke rechten nog steeds acceptabel. Veel meer dan het prestigebelang van de premier valt er eigenlijk niet te ontdekken.

Bewindslieden en Kamerleden leggen bij hun ambtsaanvaarding de eed of belofte af van trouw aan de Grondwet. Meestal zien we dat als een voorgeschreven plechtigheid. Maar dezer dagen is serieus gewetensonderzoek van groot belang. Kamer en regering zijn de soevereiniteitsdragende instellingen: als zij de constitutie laten versloffen, is er geen enkele instelling die daar nog iets aan kan doen.

Jan Vis is oud-hoogleraar staatsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen, en oud-lid van zowel de Eerste Kamer (D66) als de Raad van State.