Terugblik op het soms verzengende moederschap

Elena Ferrante: De verborgen dochter. Vert. Els van der Pluijm. Wereldbibliotheek, 160 blz. € 16,50.

Leda, tegen de 50, zelfbewust en een geslaagd wetenschapper, heeft de handen vrij nu haar twee volwassen dochters hun eigen leven leiden. Ze wordt getroffen door ‘een ongewoon welbevinden’ en viert dat met een korte vakantie aan zee. Daar doet ze iets ongerijmds. Op het strand neemt ze een pop mee. Of nee, ze ontvoert haar en verzorgt de gegijzelde in haar vakantieappartement. Ze koestert haar, koopt kleertjes. En hoewel ze elke volgende dag vanuit haar strandstoel het verdriet van de kleine poppenmoeder ziet, lukt het haar niet om het speelgoed terug te geven. Met wat overdrijving kun je zeggen dat ze doet denken aan een psychisch gestoorde vrouw die een baby heeft geroofd van de afdeling verloskunde van een ziekenhuis.

‘De dingen waar we zelf niets van begrijpen zijn het moeilijkst te vertellen’, stelt Leda vast. En toch doet schrijfster Elena Ferrante een gooi met haar roman De verborgen dochter (La figlia oscura), met Leda als verteller, als ‘ik’. Verklaard wordt er niets. Ferrante geeft contouren aan, bijvoorbeeld door Leda obsessief de intimiteit van een jonge moeder en haar kleine dochtertje te laten observeren: ‘Ze lachten naar elkaar, genoten ervan elkaar lijf aan lijf te voelen, hun neuzen tegen elkaar te duwen.’

Elena Ferrante is een raadselachtige figuur. Dit is haar vierde roman, ze kreeg prijzen, ze werd verfilmd, ze trekt aandacht, maar niemand weet wie ze is. Doet het ertoe? Ach nee. Wat ertoe doet, zijn de verfijnd geformuleerde, korte zinnen, waarmee Ferrante de zanderige landerigheid van een badplaats weergeeft, en die rustigjes perverteert tot een vijandig hol. Geleidelijk onthult ze Leda’s geschiedenis. Hoe ze de druk van haar gezin niet heeft aangekund, hoe ze in een opwelling koos voor zichzelf en de ontplooiing van haar talent door haar nog jonge dochters van zich af te schudden. En hoe ze na drie jaar terugkeerde in haar gezin, dat nooit meer het oude werd. Er komt veel aan de orde, maar dit is een roman over moederschap en hoe verzengend dat kan zijn, ook als je het heel graag goed wil doen.

In dit wondermooie boek probeert iemand haar verleden schadeloos te stellen, nu haar is gebleken dat ze het niet onschadelijk kan maken. Ze probeert dat verleden terug te betalen met echo’s in het heden van wat zij zelf is geweest. Dat klopt niet, dat helpt niet, natuurlijk niet. Wat was, is weg. Wat is, is anders. Dat inzicht leidt tot de berusting van Leda, prachtig neergelegd in de slotzin: ‘Ik ben dood, maar ik maak het goed.’