Tegen de wind in

Wittebroodsweken zijn president Obama niet gegund. Twee weken geleden had hij zijn regering rond. Nu is hij al weer twee steunpilaren kwijt. Nadat eerst Richardson voor Buitenlandse Handel werd afgevoerd in verband met een corruptieaffaire, sneefde dinsdag kandidaat-minister Daschle voor Volksgezondheid wegens belastingontwijking.

Het voortijdige vertrek van Daschle is een grote tegenslag. Een breed dekkend zorgverzekeringsstelsel is een hoeksteen van het nieuwe regeringsprogramma, historisch gezien wel een wankele overigens. President Clinton struikelde er begin jaren negentig meteen over. Maar anders dan Clinton zou Obama nu van de kredietcrisis gebruik kunnen maken. Daschle leek de ideale minister, omdat hij zowel de politieke wandelgangen van Washington als het dossier goed kent.

Maar de wijze waarop Obama het fiasco heeft afgehandeld, doet vermoeden dat hij zich niet uit het veld wenst te laten slaan. Hij draaide er niet omheen. „Ik heb het verknald”, zei hij. Obama schoof de hete aardappel dus niet door naar anderen maar nam er zelf de verantwoordelijkheid voor.

Nog doortastender liet Obama zich een dag later kennen. Nadat hij de onstuitbare bonussencultuur in de financiële sector vorige week reeds als „beschamend” had gekwalificeerd, kondigde de president woensdag maatregelen aan. Elke onderneming die aanklopt bij de staatsschatkist van het ‘Troubled Asset Relief Program’, dat nog onder Bush is opgesteld, moet een salarisplafond van 500.000 dollar hanteren.

Dat lijkt een hoog bedrag. Maar in de Amerikaanse financiële sector, waar de salarissen voor het management afgelopen decennium 50 procent sneller groeiden dan in de industrie, wordt dit een veredelde fooi gevonden. Hoewel een groot deel van de branche intussen is gedegradeerd tot ‘steuntrekker’, is dit besef in Wall Street nog niet doorgedrongen. Veel bankiers leven daar nog te midden van klatergoud. Obama omschreef woensdag die schijnwereld uit het recente verleden zo: „De economische crisis is er een van wijdverspreid risico en smal geconcentreerde beloning”.

Ook de Nederlandse regering zou deze korte maar krachtige definitie ter harte kunnen nemen. Bij de (tijdelijke) staatsbank ABN/Amro blijken ca. 500 werknemers ook dit jaar nog extra bonussen te incasseren. Deze bonussen zijn mede bedoeld om te voorkomen dat ze overstappen naar andere banken – die er overigens niet meer zijn, of die intussen net als ABN/Amro zijn genaast.

Deze honorering is onderdeel van arbeidsvoorwaarden waarover twee partijen ooit overeenstemming hebben bereikt. Zulke contracten moeten uiteraard worden nageleefd. Maar er is afgelopen half jaar wel iets veranderd. Minister Bos kan de arbeidsvoorwaarden op zijn minst ter discussie stellen. In potjeslatijn: ‘rebus sic stantibus’. Nu de zaken er zo voorstaan, ligt het in de rede om de contracten te actualiseren. De bankiers die daartoe op voorhand niet bereid zijn, kunnen de staatsaandeelhouder dan voor de rechter dagen.

In Amerika zouden ze zeggen: ‘See you in court’.