Ook in de dans bestaat het ietsisme

Ik ging laatst naar een dansvoorstelling. Of beter: een voorstelling. Ook wel performance genoemd. In elk geval deed men iets op een toneel. Sommige mensen willen namelijk iets met dans, ook al worden zij niet merkbaar gehinderd door enige aanleg of liefde voor de kunstvorm die door de meeste mensen wordt geassocieerd met een door bovengemiddelde fysieke training verworven beheersing. Vergelijk het met personen die niet gelovig zijn, maar voelen dat er ‘iets’ is en daar ‘iets’ mee willen, maar geen zin hebben in dogma’s, religieuze voorschriften of gebruiken. Sinds een jaar of tien is er een naam voor dat verschijnsel: het ietsisme.

Ook in de dans bestaat het ietsisme. In elk geval roepen sommige figuren dat ze dans maken, maar als zij zich vervolgens op een toneel presenteren, leidt dat dus niet per se tot interessante beweging. De verdenking dat deze danskunstige ietsisten eigenlijk narcisten zijn, kwam jaren geleden voor het eerst bij mij op. Toen was het theatermaker Jan Ritsema die (na een bijna-doodervaring, meen ik mij te herinneren) ineens dacht dat de danswereld op hem had zitten wachten, hetgeen leidde tot een tenenkrommende huppelexercitie. Ritsema zelf was zichtbaar ingenomen met zijn dansoptreden.

Het duo Robert Steijn en Frans Poelstra beschikt tenminste nog over enig zelfinzicht. Zij opereren onder de naam United Sorry en erkennen in How low can you go? met zoveel woorden dat zij niets op het toneel te zoeken hebben: „I have no talent for being on the stage.” Zo onttrekken de heren zich leep aan de stapels kritische kanttekeningen die te plaatsen zijn bij Steijns in abominabel Engels uitgekraamde flauwiteiten en het doffe gemompel en geneurie van Poelstra, die onder een zwart kanten boerka op een minisynthesizer ramt. Een en ander wordt grotendeels in het donker gepresenteerd, wat in dit geval geen nadeel is.

Normaal gesproken haal je je schouders op over zulk puberaal prutswerk (beide heren zijn overigens 50+) dat een marginaal maar hardnekkig bestaan leidt in het Europese off-off theatercircuit en op ietsistische dansopleidingen – waar ook Ritsema onderdak heeft gevonden.

De irritatie slaat echter alsnog toe, als het duo de behoefte niet kan weerstaan tot slot een neerbuigende opmerking te maken over publiek dat (echte) dans wil zien, wat wordt geïllustreerd met krukkige sprongen. Impliciet diskwalificeren zij zo alle dans die kennis, kunde en kunstzinnigheid vertegenwoordigt als escapistisch voer voor leeghoofden.

Dergelijke arrogantie is sowieso moeilijk te verteren. Maar helemaal nu vorige maand weer eens is gebleken dat de (echte) dans die William Forsythe twintig jaar geleden creëerde in Limb’s Theorem nog altijd een intellectuele en visuele uitdaging betekent voor iedere leek, liefhebber en professional.

De ietsisten van deze wereld schilderen het werk van Forsythe echter graag af als een late representant van een fascistoïde kunstvorm, de klassieke dans. Nu iedereen elkaar in dit land toch om de havenklap met processen dreigt, zou ik willen voorstellen de eerstvolgende minkukel die zoiets durft te beweren, voor het gerecht te slepen.