Misdaad niet alleen in genen

Biologische oorzaken van antisociaal gedrag worden nu erkend. Maar daarmee gaat men iets te makkelijk aan het werk, menen Frans Brom en Ira van Keulen.

De grote maatschappelijke weerstand tegen de ideeën van toenmalig hoogleraar criminologie Wouter Buikhuisen in de jaren zeventig heeft geleid tot een grote achterstand in wetenschappelijke kennis in Nederland. Forensische psychiaters hebben decennialang niet met hersenwetenschappers gesproken, mede omdat de forensische wetenschappen vaak gehuisvest waren (en zijn) bij de rechtenfaculteit en niet bij de medische faculteit. Ook de praktijk loopt achter. De snelgroeiende kennis over diagnose en behandeling van antisociaal gedrag én van psychiatrische aandoeningen die relatief veel voorkomen onder delinquenten, wordt nog nauwelijks toegepast.

Nu de weerstanden tegen het gedachtengoed van Buikhuisen zijn verdwenen, dreigt echter een nieuwe valkuil, namelijk dat wordt doorgeschoten naar het andere uiterste: dat chronische criminaliteit uitsluitend als een volksgezondheidsvraagstuk wordt beschouwd. De (inmiddels gerehabiliteerde) Buikhuisen staat daarin niet alleen. Ook de World Health Organisation (WHO) pleitte in een rapport uit 2002 al voor een public health approach to violence. Maar als we aanhoudend crimineel gedrag als symptoom van een ziekte gaan beschouwen, dreigen de sociale en economische risicofactoren die óók een rol spelen bij crimineel gedrag uit beeld te verdwijnen. Dan wordt dezelfde vergissing begaan als in de jaren zeventig door te eenzijdig – nu vanuit de biomedische invalshoek – naar crimineel gedrag te kijken.

Het moderne hersenonderzoek laat zien dat we de nature-nurture discussie (is gedrag aangeleerd of aangeboren?) achter ons moeten laten. Onze hersenen – en dus ook ons gedrag – blijken een product van zowel genen als sociale omgeving. De schatting is dat maar liefst de helft van onze genen betrokken is bij hersenontwikkeling. Tegelijkertijd toont steeds meer onderzoek aan dat het fysieke brein zich tot op hoge leeftijd blijft aanpassen onder invloed van onze ervaringen.

Een goed voorbeeld van dat samenspel tussen genen en omgeving is schizofrenie, overigens een veelvoorkomende aandoening (19 procent) onder tbs’ers. Erfelijkheid draagt voor belangrijke mate bij aan het risico om schizofrenie te ontwikkelen: deze neemt toe naarmate de verwantschap met iemand die schizofreen nauwer is. Tegelijkertijd is de kans dat een eeneiige tweeling met identieke genen allebei schizofrenie ontwikkelen 40-50 procent. Omgevingsfactoren als immigratie en cannabisgebruik spelen namelijk ook een rol bij de ontwikkeling van schizofrenie.

De benadering van criminaliteit als volksgezondheidsvraagstuk brengt nog een ander vraagstuk met zich mee: het opent de weg naar voorspellende en zelfs preventieve criminologie. Daar is niets mis mee zolang die screenings- en behandelingsprogramma’s voor bijvoorbeeld kinderen met een verhoogd (biologisch) risico op antisociaal gedrag worden ingezet in het belang van het individuele kind.

Zodra dergelijke biologische risicofactoren gebruikt gaan worden uit oogpunt van bescherming van de ‘normale’ bevolking wordt het een ander verhaal. Het kan uitmonden in het langer (preventief) vasthouden van delinquenten die de stempel ‘onbehandelbaar’ hebben gekregen of wellicht in screeningsprogramma’s om potentiële criminelen binnen de brede bevolking op te sporen.

Met dat laatste ontstaat een nieuwe omvangrijke groep potentiële criminelen: individuen die nog geen of misschien wel nooit crimineel gedrag zullen vertonen, maar wel een verhoogd risico op crimineel gedrag hebben. De verleiding om dan in te grijpen door preventief strafrechtelijk op te treden ligt al snel op de loer.

Op dit moment loopt het nog niet zo’n vaart met de preventieve criminologie, maar vanuit de praktijk van het opsporingsonderzoek wint het gebruik van risicoprofielen en -analyses aan terrein. Nederlandse politiekorpsen zoeken niet alleen meer naar een dader nadat een misdaad is begaan, maar hun inlichtingsdiensten proberen nu ook op basis van risicoprofielen in te schatten wie misdaden zullen begaan. Het toegenomen belang van terrorismebestrijding sinds 9/11 heeft deze accentverschuiving nog versterkt.

De opsporingspraktijk zal zeker dankbaar gebruikmaken van het onderzoek naar neurale en andere biologische oorzaken van antisociaal, crimineel of agressief gedrag. In de Verenigde Staten financiert het militaire onderzoeksagentschap van het Pentagon inmiddels onderzoek dat moet helpen om menigten te screenen op hersenactiviteit geassocieerd met agressief gedrag. De vraag is of het überhaupt kan, maar dergelijke toepassingen worden in ieder geval geambieerd door het Pentagon.

Los van het feit dat het nog onduidelijk is wat de effectiviteit van preventief criminaliteitsbeleid is, moeten de schaduwkanten ervan niet worden onderschat. Denk aan stigmatisering van individuen met een hoog risicoprofiel, maar ook aan de zogenoemde vals-positieven – mensen die onterecht gezien worden als in aanleg crimineel – en aan kosten verslindende preventieve maatregelen bij gezinnen die ook zonder hadden gekund. In geval van het Pentagon-onderzoek borrelen ook vragen over ‘cognitieve vrijheid’ op; de hersenen zijn tot nu toe nog een juridisch privaat domein.

Het is goed dat de effecten van de affaire-Buikhuisen zijn uitgewerkt en dat forensische wetenschappers weer met hersenwetenschappers praten. Maar de herintroductie van het biologisch denken in de forensische praktijk vergt behoedzaamheid, zeker geen grote ideologische verschuiving door criminaliteit als volksgezondheidsprobleem te bestempelen. Dat werkt medicalisering en criminalisering in de hand.

Frans W.A. Brom en Ira van Keulen zijn onderzoekers bij het Rathenau Instituut in Den Haag.