Man zonder ledematen

Hij heeft geen armen en geen benen, hij kan niet zien, niet horen, niet spreken. Maar hij leeft, hij voelt en hij denkt. Joe Bonham, hoofdpersoon uit de roman Johnny got his gun (1939) van de Amerikaan Dalton Trumbo, is het extreemste oorlogsslachtoffer denkbaar. Een granaatinslag reduceerde hem tot enkel hoofd en romp. Maar Trumbo maakte van hem een volledig, geloofwaardig en betreurenswaardig mens. Als belichaming van de vernietiging spreekt Bonham al decennialang tot de verbeelding.

Van de vele, beroemd geworden literaire reflecties op de Eerste Wereldoorlog is Johnny got his gun veruit de hardste: zonder enig erbarmen, zonder hoop – een gesel voor de lezer. Scenarioschrijver Trumbo schreef het in de jaren dertig van de twintigste eeuw, toen de diepe wonden van die eerste grote, industriële oorlog nog goed zichtbaar waren.

Trumbo baseerde zijn roman op een krantenbericht. Begin jaren dertig bracht de Britse prins Eduard een bezoek aan een Canadees veteranenhospitaal. Journalisten zagen hem er huilend uit een kamer komen. Daar bleek een oorlogsinvalide te worden verpleegd die, naast al zijn ledematen, ook zijn zintuigen verloren had. Hij kon alleen nog voelen. De prins had hem op het voorhoofd gekust. Trumbo’s roman is een poging zich te verplaatsen in zo’n patiënt. Zou hij nog denken? En zo ja, wat dan?

In Johnny got his gun denkt Joe Bonham zeker. In één koortsige woordenstroom leren we hem kennen terwijl hij machteloos in een ziekenhuisbed ligt. We beleven mee hoe hij langzaam ontdekt hoe hij eraan toe is. We lezen zijn herinneringen, twijfels en verlangens. Er zijn hunkeringen naar vroege vriendinnetjes; flashbacks van gesprekken met zijn overleden vader. In een ervan vraagt kleine Joe zijn vader hoe ver je moet gaan om de democratie te verdedigen. Vader antwoordt: „For democracy, any man would give his only son.” En dat doet hij.

In de jaren zestig werkte Trumbo samen met Luis Buñuel aan een filmadaptatie van zijn roman. Ze maakten een knap scenario waarin herinneringen, oorlogstaferelen en dromen door elkaar lopen. Door geldgebrek kwam de film er niet, maar in 1971 gebruikte Trumbo het script alsnog. Het resultaat is een aangrijpende, hallucinatoire film.

Anders dan in het boek kan hier een expliciet onderscheid worden gemaakt tussen Bonhams beleving en de buitenwereld. Dat is af en toe ijzingwekkend. Nadat de kijker al uitgebreid kennis van zijn gedachten en gevoelens heeft genomen, constateert een arts fijntjes aan Bonhams bed: „This young man will be as unfeeling and unthinking as the dead, untill the day he joins them.”

Bijna twintig jaar later, in 1989, inspireerde Bonham weer een nieuwe generatie artiesten. Hardrockband Metallica schreef bijvoorbeeld de hit One vanuit het perspectief van Bonham – of een andere soldaat die op dezelfde manier is ontmenselijkt.

Johnny got his gun eindigt zonder hoop. Gaandeweg leert Bonham de zusters die hem verzorgen onderscheiden. Uiteindelijk slaagt hij er in om met hen in contact te komen. Een adembenemend hoogtepunt; eindelijk is hij verlost uit zijn gevangenis van vlees. Hij kan communiceren, zijn wensen kenbaar maken. Eén heeft hij er maar: om getoond te worden aan de wereld, om mensen te laten zien wat de consequentie van oorlog is. En, als dat wordt geweigerd: om te mogen sterven. Geen van beide wordt hem gegund.