Kraken

In het klaslokaal van mijn lagere school hing een tijdbalk. De balk was gemaakt van aan elkaar geplakte vellen papier en liep als een zoom langs het plafond. Met elke geschiedenisles werd er informatie rond een datum verzameld. Egyptenaren en Romeinen kwamen tevoorschijn, kruisvaarders trokken ten strijde en zo ontstond er een overzichtelijke geschiedenis.

We geloofden nog in het verhaal dat de aap langzaam maar zeker zijn haren had verloren, een speer vond, en met steeds rechtere rug ging lopen tot hij een mens was geworden. We hadden er een poster van in de klas. De kromste, meest harige aap sjokt achter de generaties aan die op hem zullen volgen. Een verwarrende voorstelling van zaken. Hoe kan de aap achter iets aanlopen dat nog komen moet? Zou het niet beter zijn geweest om de kromme aap voorop te laten lopen? Waarom moeten de apen en de aapachtigen eigenlijk achter elkaar aanlopen? Men heeft in deze voorstelling het verstrijken van de tijd willen weergeven, maar de optocht wordt gepresenteerd als momentopname. Waar gaat de optocht eigenlijk heen?

Dat er lange tijd ook tussenvormen van de aap en de mens naast elkaar hebben geleefd konden we ons nog niet voorstellen. Misschien wilden we het ook niet weten.

Op een dag ontstond er onrust in het lokaal. De tijdbalk langs het plafond was steeds langer geworden en het begin van de tijd dreigde het heden te gaan ontmoeten. We voorzagen het einde der tijden. Onze onderwijzer werd er zenuwachtig van. Hij las voor uit de Bijbel: „En ik zag uit de bek van de draak en uit de bek van het beest drie onreine geesten komen, als kikvorsen. Want het zijn geesten van duivelen, die tekenen doen, welke uitgaan naar de koningen der wereld, om hen te verzamelen tot de oorlog op de grote dag van de almachtige God.” Hij had nog nooit uit de Bijbel voorgelezen. Mijn klasgenoten en ik zagen dat er iets moest gebeuren.

We bedachten een systeem om de geschiedenis weer te geven met appels. We konden veel details over gebeurtenissen kwijt op de schil en vol goede moed stapelden we de appels in een kegelvorm. Ik verheugde me op de laatste appel, het hier en nu dat als triomferende piek bovenop de geschiedenis zou prijken. Onze onderwijzer wierp één blik op de toren en vroeg: „Maar wat doe je als er morgen nog iets gebeurt?” Hij verwijderde alle piramides, VOC-schepen, kanonnen, en de boekdrukpers van de wand.

Ik denk nog vaak aan de tijdbalk wanneer ik een gebeurtenis in de geschiedenis probeer te plaatsen. Ik stel me voor dat het klaslokaal – als een uitdijend heelal – steeds groter wordt, zodat de tijdbalk zichzelf nooit in de staart zal hoeven bijten. Het lastige aan deze voorstelling is dat je jezelf moeilijk kunt plaatsen. Er is geen ‘nu’, geen nulpunt waarvandaan te vertrekken valt. Ik beweeg me zoekend heen en weer langs de kredietcrisis en de inauguratie van Obama. Ergens hierna kom ik. Waar de tijdbalk ophoudt en waar de wanden van het klaslokaal beginnen te kraken.