Klagers puzzelen met canon van Nederland

Mogelijk dit jaar nog wordt de canon van Nederland verplicht op scholen. Docenten hebben er geen zin in, bleek deze week op een studiedag. „Ik ga niet alle items behandelen.”

Wat te doen met Willem van Oranje?

„Willem van Oranje, die raken we wel ergens kwijt”, zegt geschiedenisleraar Marion Frank. „Met de Oranjes kun je alle kanten op.” En de Hanze? Dat lukt ook nog wel, zegt historicus Arie Wilschut. „Het wordt geen spannend verhaal, maar het kán.”

De Stijl dan? En Vincent van Gogh, ‘de gasbel’, het eerste Nederlandstalige zinnetje ‘Hebban olla vogala’? Of ‘de slavernij’? Moeten daaraan aparte lessen worden gewijd? En is daar tijd voor?

Het was puzzelen deze week, in een zaaltje van het Centrum voor Nascholing aan de Hogeschool van Amsterdam. Achttien geschiedenisleraren uit het voortgezet onderwijs leerden hoe ze de vijftig items van de ‘canon van Nederland’ moeten inpassen in de geschiedenisles.

De canon, dat is de lijst met de vijftig belangrijkste gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis en cultuur, die alle schoolkinderen zouden moeten kennen. Anne Frank staat erin. Annie M.G. Schmidt. Erasmus.

De lijst moet verplicht worden op school, zei minster Plasterk (Onderwijs, PvdA) bij de presentatie ervan in juli 2007. Dit jaar beslist de Tweede Kamer of dat ook gebeurt.

Bij leraren is er weerstand. Eind november vorig jaar kwam een groep historici, onder wie hoogleraar vaderlandse geschiedenis Piet de Rooij van de Universiteit van Amsterdam, met de kritiek dat de lijst canon-items, ‘de vensters’, een te lukrake verzameling is. Daarom zou de canon niet verplicht moeten worden, vinden deze historici. Volgens hen zitten er gekke onderwerpen bij, zoals planetariumbouwer Eise Eisinga. En er zit niet alleen geschiedenis in, maar ook cultuur en aardrijkskunde. Wat moeten geschiedenisleraren daarmee?

Piet de Rooij heeft meegewerkt aan een ander soort canon, een indeling van de geschiedenis in tien tijdvakken. Die was net een paar jaar geleden verplicht geworden op school. Het is enorm ingewikkeld om de canonitems daar weer in te passen, betoogden de klagers.

Historicus Arie Wilschut, directeur van het Instituut voor Geschiedenisdidactiek van de Universiteit van Amsterdam is de hoofdman van de klagers, en medebedenker van de tien tijdvakken. Om docenten te helpen met de canon, geeft hij er colleges over, met praktische tips. En passant vertelt hij voortdurend hoe slecht de canon is. „Ik hoop niet dat hij verplicht wordt”, is een van zijn openingszinnen. De filmpjes die het ministerie van Onderwijs bij de canonvensters heeft laten maken, zijn volgens Wilschut „gemaakt door mensen die geen verstand hebben van geschiedenis”.

Het is een thuiswedstrijd voor Wilschut. Iedereen in de zaal is tegen de canon. Een van de aanwezige docenten vindt bijvoorbeeld het Nederlandse perspectief ervan gekunsteld. „Dit land is maar een vogelpoep op de aardbol.” Een ander zegt dat het bijna onmogelijk is kunststroming De Stijl in de Eerste Wereldoorlog te behandelen. „De canon gaat voor 80 procent over onderwerpen uit West-Nederland”, vindt bovendien docent Patricia Versmissen. „Alsof er buiten het westen niets gebeurd is.”

Toch luistert de zaal aandachtig naar de didactische tips van Wilschut. Over Floris de vijfde bijvoorbeeld. „Die kan je de eerste staatsvormende graaf noemen”, doceert Wilschut, „die in officiële documenten overschakelde van het Latijn naar het Nederlands. Zo kan je hem inpassen in een les over de opkomst van de burgerij en die van de volkstaal. Datzelfde zou je kunnen zeggen over Hebban Olla Vogala. Maar die kan je ook bij je collega’s van Nederlands proberen onder te brengen.”

De makers van de canon, de stichting entoen.nu, snappen de weerstand niet. Ze zeggen dat de meeste thema’s al voorkomen in de geschiedenisboeken. Voor de overige komen binnenkort voorbeeldlessen op de website te staan, zegt stichtingsdirecteur Hubert Slings. En ja, er zitten items in die niets met geschiedenis te maken hebben, maar het is juist de bedoeling dat de canon vakoverstijgend is. Om de verkokering in de hoofden van leerlingen tegen te gaan.

Slings voelt niets voor een „strijd met Wilschut zoals deze zich nu eenzijdig aan het ontwikkelen is. De canon is in onderwijs en samenleving een instrument gebleken dat veel positieve energie rond en voor het vak geschiedenis weet op te wekken.”

Nou, niet in de zaal met docenten. „Ik vind het een typisch geval van onbehoorlijk bestuur”, zegt Marion Frank. „Om tegen docenten te zeggen ‘begin er maar mee, u ziet wel wanneer we er iets mee gaan doen’.” Een ander: „Ik ga niet alle items behandelen hoor. Ik laat de leerlingen gewoon naar de wandkaart van de canon kijken. Verder geloof ik het wel.”

„We moeten wel goed onderwijs geven”, sust Wilschut. „Dat is ons aller belang.”