In de bus zit ik altijd naast een racistische oma

Ik reis veel met de trein en de bus, en ik zou dat eigenlijk het liefst doen met een zak over mijn hoofd. Dat komt mede doordat mijn hoofd op vroege tijdstippen verontrustende gelijkenissen vertoond met een net ontwaakte grizzly. Maar het komt ook doordat ik graag met rust gelaten wil worden. Ik heb namelijk een Spreek-mij-aan-hoofd. Die bestaan, net zoals Sla-mij-hoofden en Niemand-kan-zijn-aandacht-bij-mijn-verhaal-houden-hoofden. En mensen ruiken dat. Zodra ik in de buurt ben komt de éénbenige zwerver vanaf de andere kant van het station aangehopt om me hijgend om kleingeld te vragen, de enquêtejongens voeren gezamenlijk een velociraptorachtige manoeuvre uit om me in te sluiten, en in de bus zit ik altijd naast een racistische oma, die enkel een ademtocht nodig heeft om los te barsten.

Dus ook vandaag slof ik als een zombie over het perron, verstopt in jas en iPod, terwijl ik bewust oogcontact vermijd: een doodnormale meneer in regenjas kan zich zomaar ontpoppen tot een maniakale Bhagwanaanhanger met sproeispeeksel. In de trein zoek ik tot ik een haast lege coupé vind en zet ik mijn tas pontificaal op de stoel naast me. Maar enkele seconden voor vertrek zwiept de deur open en komt er een man binnen, die precies tegenover me neerploft.

De man draagt een petje en heeft een milkshake bij zich die bijna op is, een reutelend geluid verspreidt zich door de coupé. Mijn blik blijft gericht op het raam, ook al voel ik dat hij me een paar keer bekijkt. Dan schraapt hij zijn keel, en zegt: ‘Wat denk jij…’ Ik schrik op, en wijs naar mijn iPod. De man knikt en zwijgt. Ongemakkelijk staar ik uit het raam. Bij het volgende perron stapt een oudere dame in, die naast hem gaat zitten. ‘Wat denkt u’, begint de man. ‘Zouden schapen het koud hebben?’ Verwonderd kijk ik op. De vrouw is al oud, met grijs haar en een zacht gezicht. ‘Nou’, zegt ze. ‘Ze hebben wel een bontjasje.’ ‘Maar die poten. Ik maak me altijd zo zorgen om die poten.’

De vrouw lacht, en samen kijken ze naar de voorbijschietende schapen. Ik kijk naar hen, en opeens begrijp ik niet waarom ik me zo afsluit, waarom ik altijd in mijn eigen iPod-wolk in de trein zit, gebarricadeerd door tassen en jassen, waarom ik er altijd van uitga dat als iemand je aanspreekt, hij je lastig zal vallen. Ik mag hópen dat ik een Spreek-mij-aan-hoofd heb. Ik doe mijn iPod uit, en zeg: ‘Misschien moeten er schapenslofjes komen?’

Aaf is maandag terug van vakantie. Renske de Greef (24) is columniste en auteur van onder andere de roman ‘Was alles maar konijnen’.