Ik wil de andere kant laten zien

Parwin Mirrahimy (28) is in Iran geboren en groeide op in Nederland.

Als cultureel ondernemer organiseert zij een Iraans filmfestival en is ook dj.

Haar moeder dacht vroeger al dat ze directeur zou worden. Van een basisschool bijvoorbeeld. Parwin Mirrahimy (28) wilde altijd alles regelen. Stond als peuter tijdens het kerstdiner af te wassen. Tegelijkertijd zorgde ze ervoor dat iedereen het naar zijn zin had. Haar moeder kreeg gelijk. Het werd alleen geen basisschool, maar een Iraans filmfestival. De derde editie, afgelopen herfst, trok 1.800 bezoekers.

Als (zelfstandig) cultureel ondernemer programmeert Mirrahimy bovendien voor het Zina Platform films in Amsterdamse wijken. Onder de vlag van haar nieuwste project, de West Oost Evenementen Stichting (WOEST), wil ze nog voor de zomer een Iraans hiphopfestival organiseren. En met een vriendin vormt ze het dj-duo The unbearable light dj’s. Het publiek wordt getrakteerd op de vetste hits, maar krijgt ook een filmquiz of een literaire voordracht voorgeschoteld.

Als het maar cultuur is, luidt haar credo. Het liefst met een Iraans sausje. Mirrahimy werd in Teheran geboren en als vijf maanden oude baby door een Nederlandse moeder en een Iraanse vader geadopteerd. Ze groeide op in Zaandam. Haar moeder stond erop dat ze goed Nederlands leerde. Met succes. Mirrahimy: „Volgens mijn ouders kende ik al heel snel het woord gezellig. Dan zei ik: ‘Kom, laten we gezellig op de bank gaan zitten’. Mijn ouders vonden dat burgerlijk, maar ik houd van de gezellige kneuterigheid van Nederland.”

Ben je op zoek gegaan naar je biologische ouders?

„Nee, dat gespit in het verleden is niet mijn ding. Ik wil vooruit, dóór. Ik wil wel nog eens iets terugdoen voor mijn land. Dat is de reden dat ik nog veel met Iran bezig en het gevoel heb dat ik moet presteren.”

Presteren?

„Ik was daar gedoemd op straat terecht te komen: dat is wat er met kindertehuiskinderen in Iran gebeurt. En Iran is al een van de moeilijkste landen om in te leven, laat staan overleven. Ik ben toevallig hierheen gekomen, naar één van de leukste plekken ter wereld. Dan moet ik er ook echt wat van gaan maken. Al die kansen die je hier krijgt, joh! Ik heb veel getalenteerde neefjes en nichtjes in Iran die ook veel willen, maar geen kans krijgen.”

Hoe was het om op je negentiende voor het eerst terug te keren naar Iran?

„Heel confronterend. Echt een cultuurshock. Hier is alles zo vrij, terwijl Iran een paranoïde samenleving heeft. Binnen kun je zijn wie je bent, maar buiten moet je je aan allerlei regels houden. Ik vind dat fascinerend, maar ik vind het altijd prettig om weer naar huis te gaan. Als je het westerse leven gewend bent, is het moeilijk je aan die regels aan te passen. Maar een bezoek aan Iran doet me ook realiseren wat ik heb. Ik krijg er elke keer weer inspiratie van om mensen hier bewust te maken van hoe mensen daar leven. En om hier echt te genieten van mijn vrijheid.”

De naam van je stichting, WOEST, klinkt vrij agressief. Is dat bewust?

„Nee, ik word gedreven door optimisme: we kunnen iets doen, dus aan de slag. Maar er liggen ook zorgen aan ten grondslag. Iran is aan het afdrijven van de realiteit. Het begint een geïsoleerde staat te worden, waar de bevolking de dupe is van wat de hoge heren bepalen. Een pond tomaten is bijna niet meer te betalen, de huizenprijzen rijzen de pan uit. Het leven wordt steeds zwaarder en er komen steeds meer sancties. Daar maak ik me ongelofelijk veel zorgen om.”

Waarom een filmfestival?

„Ik vind het heel belangrijk dat wij hier in het Westen ook andere beelden te zien krijgen dan de beelden die we bij het nieuws zien. Die zijn naar mijn idee te eenzijdig. Je ziet het nucleaire programma, een president die op zijn zachtst gezegd eigenaardige uitspraken doet, vrouwen met hoofddoeken, mollahs. We zien een opgefokt volk en een staat die dat volk onderdrukt. Maar je ziet niet de feestjes, de creativiteit. Dat is altijd mijn grote inspiratiebron geweest: Iran is veel meer dan wat wij dagelijks op televisie zien. En we kunnen alleen maar dichterbij elkaar komen als wij ons daarin verdiepen. Film werkt daarbij heel goed. Dat is de reden geweest om dit festival op te zetten. Niet met de geijkte films, over het platteland met schapen en geiten. Nee, in Iran worden vooruitstrevende films gemaakt.”

Kan cultuur, in dit geval film, ons dichter bij elkaar brengen terwijl het Oosten en het Westen wat politiek betreft mijlenver uit elkaar liggen?

„Het is niet mijn doel om de geopolitieke situatie te veranderen. Je moet klein beginnen. Ik kan hier mensen bereiken die meer willen weten van dat land. En natuurlijk verandert president Ahmedinejad zijn nucleaire programma niet omdat we in Nederland Iraanse films kijken, maar je komt wel stapje voor stapje dichterbij. Sommige Nederlanders denken dat iedereen in Iran met een gezichtssluier rondloopt of ze weten Iran niet te onderscheiden van Irak.”

Maakt dat je kwaad?

„Nee hoor, dan vertel ik dat ik in Iran nog nooit een gezichtssluier heb gedragen. Dan zeg ik: kom naar het festival. Leer dat alles wat je ziet een andere kant heeft, of misschien wel vier. Je moet niet vergeten dat de beelden die jij op het journaal ziet geënsceneerd zijn, gemaakt en uitgezonden worden door de regering. Wij laten beelden zien die de Iraniërs zelf maken. Die laten zien hoe Iran echt is, het land door het oog van het volk. Ze laten zien dat zij ook ziek worden, net als wij, en ook verliefd worden, seks en familieproblemen hebben. Als je dat van elkaar ziet, kun je nader tot elkaar komen. Anders blijft het altijd ‘de ander’ en de ander is altijd eng.”

Voel jij je hier wel eens ‘de ander’?

„Vroeger voelde ik me heel Nederlands, maar sinds een aantal jaar voel ik me anders. Ik zal een voorval vertellen. Toen ik op de fiets eens wat mensen afsneed, riep een vrouw: kijk uit, stomme Turk. Toen besefte ik pas dat ik voor veel mensen lijk op ‘de buitenlanders’, die in hun ogen allemaal uit Turkije of Marokko komen.”

Ben je meer thuis in Iran?

„Het feit dat ik op Iraniërs lijk, geeft mij het gevoel dat ik daar hoor. Daarbij merk ik dat veel dingen uit de Iraanse cultuur mij erg raken. De muziek, het pathos van Iraniërs, het gevoel dat alles een minidrama is, dat herken ik wel. Alles is een vraagstuk en over alles wordt eindeloos gepraat.”

Het beste uit beide culturen?

„Zo ben ik wel eens genoemd, ja. En zo zouden meer mensen het moeten aanpakken. Pak uit je achtergrond wat je lief is, versterk de mooie dingen en doe daar iets mee. Maar ga ook op in de cultuur waarin je terecht bent gekomen, anders kom je niet goed mee met de maatschappij.”

En dat werd voor jouw het festival.

„De eerste drie edities waren een succes. Maar het zal niet altijd een Iraans filmfestival blijven. Ik wil ook naar Centraal-Azië gaan: Kazachstan, Turkmenistan en niet te vergeten: Afghanistan. Daar worden ook veel films gemaakt, maar die zie je eigenlijk nooit. Daarvoor geldt dan hetzelfde als voor Iran. Ik wil graag laten zien dat er meer is dan wat wij nu zien”

Het vierde Iraans Film Festival heeft plaats op 27, 28 en 29 november plaats in Rotterdam. www.iraansfilmfestival.nl