Houden wat je hebt, al is het niet veel soeps

Mensje van Keulen: Een goed verhaal. Atlas, 160 blz. € 17,50

In de serie Oerboek verscheen vorig jaar een uitgave rondom drie beginnersverhalen van Mensje van Keulen, De schriften wachten. In die verhalen lag, volgens de samenstellers, de kiem van haar schrijverschap. Zelf vielen ze haar bij nadere beschouwing niet mee, al beoordeelde ze ze wel als ‘eigen’. Zoals het ook eigen was om te willen vertellen, al toen ze klein was. ‘Lang wakker liggend als kind, verzon ik voor mijn broer en zus idiote verhalen, die soms zo’n enge wending namen dat we alle drie ons bed uit vlogen en gillend naar de huiskamer renden.’ Ook zichzelf wist ze dus al jong de stuipen op het lijf te jagen met haar verzinsels. Geen wonder dat ze, zoals ze ook noteert in De schriften wachten, niet erg tevreden is met de terugkerende vaststelling dat ze vanaf het begin realistische verhalen zou hebben geschreven over gewone mensen die herkenbare dingen meemaken.

Enigszins begrijpelijk is dat wel, want hoe mal, wreed of wraakgierig de personages van Van Keulen zich soms ook gedragen, een tikkeltje ‘gewoon’ zijn ze toch ook altijd. Ze spreken en denken in eenvoudige zinnen en hebben het niet hoog in de bol. Daarbij voegt zich, in haar nieuwe verhalenbundel, Een goed verhaal, een zekere stereotypie. De mannen zijn creatief, dynamisch en ondernemend, de vrouwen onderdanig, slachtofferachtig en passief. Neem de vriendin van een gevierde schrijver in ‘Portret’. Ze laat zich koeioneren en gebruiken door de narrige, zelfingenomen potentaat die steeds op zoek blijft naar andere groene blaadjes. Tijdens een voordracht maakt hij kennis met een jonge fotografe, die kennelijk ook iets in hém ziet. De wantrouwige vriendin verijdelt op listige wijze een dreigend overspel. Want ook al beleeft ze weinig plezier aan haar verhouding met de schrijver – ze wil hem toch voor zichzelf houden.

Zo zitten wel meer van Van Keulens vrouwelijke figuren in elkaar: ze willen houden wat ze hebben, ook al is het niet veel soeps. Alles beter, zo lijkt het, dan in je eentje voort te moeten modderen in dit troosteloze bestaan.

Mooier en onvoorspelbaarder zijn de verhalen waarin het gaat om ongebonden vrouwen, die het helemaal zelf uit moeten zoeken. Ook zij zijn niet gelukkig, maar ze proberen er op hun manier iets van te maken. Intrigerend is de reis die een lerares Engels in het verhaal ‘Bedevaart’ maakt naar het dorpje Haworth, waar de familie Brontë ooit woonde. Ze bezoekt hun ouderlijk huis, argwanend gadegeslagen door de kaartjesverkoopster, zoals zij op haar beurt vol misprijzen de andere Brontë-gangers gadeslaat. ‘Ze wil haar bewondering niet delen met andere mensen.’ Het hoogtepunt van haar trip bestaat uit een bezoek aan de pub, waar Branwell, de broer van Emily, zich dagelijks liet vollopen. Naar hem, meent de lerares, is Heathcliff uit Wuthering Heights gemodelleerd. Onvergetelijk is de scène in de stinkende heren-wc waar de lerares, zelf inmiddels ook wat beneveld, haar handen diep in de aangekoekte pot steekt, in de hoop nog iets authentieks op te snuiven van de man van weleer.

Ook het titelverhaal, ‘Een goed verhaal’, heeft een onverwacht hilarische kant. Daarin zien we een voortijdig gepensioneerde vrijgezel op pad gaan om een gevonden portemonnee terug te brengen naar de rechtmatige eigenares. Hij houdt zich voor daarmee een goede daad te verrichten, maar hij hoopt op een ontmoeting met een leuk meisje. Hij komt terecht bij een wat oudere vrouw die de kost verdient met het ondertitelen van pornofilms. Zij weet onderhoudend te vertellen over haar broodwinning. ‘Al dat gehijg en gekreun spreekt voor zich’, legt ze uit, ‘maar er wordt ook wel eens wat gezegd, nogal beperkt natuurlijk, het zal nooit over het smelten van de ijskap of de verkiezingen gaan.’ De vrijgezel voelt zich opgelaten en wil zich zo snel mogelijk uit de voeten maken. Ook ons bekruipt het idee dat de portemonnee niet toevallig voor zijn voeten is beland, maar dat hij naar de vrouw is toegelokt, zodat zij met hem kan doen wat zij wil.

In de pornovertaalster herkennen wij een Mensje van Keulen-achtige schrijfster. Ze is op haar best als ze, in ogenschijnlijke gewone en herkenbare verhalen, dingen laat gebeuren die pijnlijk zijn en ongemakkelijk. Zo ongemakkelijk dat we eigenlijk willen gillen en naar de huiskamer rennen – op zoek naar een moeder die er niet is.