Hier is het nog zo vies, heerlijk!

Bij gebrek aan exotische bestemmingen volgen schrijvers de sporen van grote voorgangers. Zo ook Paul Theroux, die Paul Theroux besloot na te reizen.

Paul Theroux: De grote spoorwegcarrousel retour. Vert. Ernst de Boer en Ankie Klootwijk. Atlas, 568 blz. € 24,90

Op bladzijde 333 van zijn nieuwste reisboek doet Paul Theroux een interessante mededeling. Hij keert in Birma terug naar een hotel dat hij 33 jaar tevoren bezocht op de reis die hij beschreef in De Grote Spoorwegcarrousel, en gaat op zoek naar ‘de gastvrije meneer Bernard’ met wie hij toen had kennisgemaakt. Hoewel hij in dat boek ‘had beweerd dat ik hem in de trein had ontmoet – ik wilde het wat spannender maken –’ had de kennismaking plaats in dat hotel. En zo bevestigt Theroux vrij terloops wat zijn lezers natuurlijk allang vermoedden: dat al die gesprekken met kleurrijke medereizigers lang niet altijd plaatshebben in treinen en dat het, wat dat betreft, ook lang niet de enige literaire vrijheid is die hij zich permitteert.

Theroux’ The Great Railway Bazaar, zoals de oorspronkelijke titel luidde, dateert uit 1975 en wordt algemeen beschouwd als het startpunt van de hausse aan reisliteratuur die toen ontstond. Tot aan dat moment was het moeilijk voorstelbaar dat lezers geïnteresseerd zouden zijn in de soms knorrige, gestileerde aantekeningen, in de eerste persoon enkelvoud geschreven, van een op dat moment nog onbekende auteur die ook de ongemakken van het reizen en op het eerste gezicht onbenullige gesprekjes met medereizigers tot onderdeel van zijn materiaal maakte. Theroux heeft sindsdien over nog vele reizen geschreven, dikwijls met zijn favoriete vervoermiddel, de trein, en dan bij voorkeur de goedkoopste klasse ‘omdat luxe de vijand van de observatie is’. Hij citeert instemmend Ford Maddox Ford die als intrigerendste kenmerk van het reizen per trein noemt: ‘men ziet ook zoveel kleine stukjes onaf leven’.

Dit boek is een curieus voorbeeld van het subgenre ‘nareizen’ – een steeds populairder wordende vorm van reisschrijven, naarmate de spannende en onontdekte doelen opraken. De Toqueville is natuurlijk al dikwijls ‘nagereisd’, evenals de 14de-eeuwse Algerijn Ibn Battoeta – vooral in twee uitzonderlijk mooie boeken van Tim Mackintosh-Smith. Verder natuurlijk Graham Greene, Orwell, Jack Kerouac, Steinbeck, B. Traven. Maar bij mijn weten is Theroux de eerste van de contemporaine reisschrijvers die zich aan een dergelijk project waagt; zelf noemt hij als historische voorbeelden de Afrikaganger Henry Morton Stanley en (over Amerika’s Westkust) Richard Henry Dana.

Waarom hij zichzelf ‘nareist’? Om antwoord te vinden op de vraag ‘Was mijn langvervlogen reisroute net zo veranderd als ikzelf?’ En, zo vervolgt hij: ‘Ik vatte het plan op om dezelfde reis opnieuw te maken, in mijn eigen voetsporen te reizen – een serieuze onderneming en het soort reis dat jongere, opportunistische beginnelingen vaak ondernemen om een boek te schrijven en beroemd te worden.’

De reis gaat opnieuw door Oost-Europa en Azië, maar Theroux volgt zijn route van toen niet precies, vooral om redenen van oorlog en politieke moeilijkheden.

Dit vervolg is tweehonderd pagina’s dikker dan het boek uit 1975 en dat extra volume is verantwoordelijk voor de zwakkere kanten. Er zitten nogal wat plichtmatige en bijna onvermijdelijk saaie landschapsbeschrijvingen in. Ook de ontmoetingen met collega-schrijvers Pamuk, Murakami en Pico Iyer zijn zo uitgebreid weergegeven dat het boek er wat door uit het lood komt te liggen. Zijn gescheld op andere stervelingen die de vermetelheid tonen graag te reizen en ook nog het lef hebben erover te schrijven wordt af en toe irritant, alsook zijn ijdelheid. Zijn uitgebreid beschreven afkeer van Singapore lijkt vooral geïnspireerd door kritische interviews die zijn vorige bezoek als docent opleverde. Komisch is de confrontatie met een rugzaktoeriste in Laos die bekent dat Michael Palin, de Britse tv-reiziger, haar held is. Zij wil zijn zoals hij. ‘Michael Palin zijn? Is dat je grote ambitie?’ vraagt een verbijsterde Theroux. ‘Zou jij niet graag Michael Palin willen zijn?’ vroeg ze. Theroux geeft wijselijk geen antwoord. Zijn woede is bijna tastbaar.

Theroux is er nooit op uit sympathiek gevonden te worden en dat siert hem. We leven vooral mee op de plekken waar hij tot zijn innige tevredenheid constateert dat de wereld in die 33 jaar nauwelijks is veranderd. Dat zijn doorgaans de rommeligste en vieste plaatsen die hij aandoet (‘ik monterde helemaal op bij de aanblik van deze viezigheid en wanorde’). Een uitzondering is Birma, waar de uitzichtloze stilstand onder het generaalsbewind hem tot overpeinzingen brengt waarin woede en somberheid overheersen.

De laatste duizenden kilometers, met de Trans-Siberië Expres, leveren weinig memorabele observaties op, en als de auteur dan eindelijk zijn thuis nadert, verbaast hij met een conclusie, een ‘mantra van ergernis’ die een hele hoop van zijn observaties en geluksmomenten onderuit haalt en tegenspreekt. ‘Het grootste deel van de wereld holt achteruit en verschrompelt tot een kluwen van verprutste troosteloosheid. Slechts de ouderen kunnen zien hoe weinig gracieus de wereld ouder wordt en wat we allemaal zijn kwijtgeraakt.’ Het is een observatie waar vooral die ‘ouderen’ het graag mee eens zullen zijn, maar die nauwelijks ondersteund wordt door wat de lezer aan de 500-plus pagina’s ervoor heeft overgehouden.

Dit is niet Theroux op zijn best, maar zelfs een matige Theroux levert prachtige momenten op. Een van de mooiste scènes doet zich voor wanneer de Roemeense universitair docent Nicolae zijn reisgenoot is, onderweg naar een conferentie in Turkije. Een man die op de puinhopen van het Ceausescu-bewind nog steeds gelooft dat aan de oostgrens de dreigende wanorde van de Oriënt begint. Theroux, die Roemenië met Turkmenistan als zo ongeveer het dieptepunt van de menselijke ordening ziet, beschrijft met pijnlijke precisie hoe Nicolae bezorgd uitgeleide wordt gedaan door zijn naasten die hem met lede ogen naar de barbarij zien vertrekken – en hoe Nicolae bij aankomst in Istanbul geen ‘fezdragende Turken en achterlijk uitziende moslims’ ziet maar een schitterende stad ‘van eeuwenoud verguldsel en indrukwekkende modernisering’.[..] ‘Hij verschrompelde tot een veldmuisje en met zijn voorhoofd tegen het treinraampje gedrukt zag hij eruit alsof hij ieder moment in tranen van frustratie zou uitbarsten.’ Waarschijnlijk bestaat Nicolae helemaal niet. Op zijn best is hij een samenraapsel van enkele gespreksgenoten en Theroux’ fantasie. Maar evenmin als in zijn vorige reisboeken doet dat er eigenlijk iets toe.