Het oorverdovende geklets in Paradiso

Waarom heeft de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw een vlakke vloer terwijl in andere concertzalen de stoelen op steeds hogere rijen staan? In 1888 werd het Concertgebouw neergezet om naar klassieke muziek te kunnen luisteren tijdens het genot van een hapje en een drankje. De zaal stond vol tafeltjes en stoelen, obers liepen door de zaal, de muziekliefhebbers converseerden met elkaar terwijl het toen nog niet koninklijke Concertgebouworkest muziek speelde van Beethoven, Wagner, Brahms en Schubert.

Die elitaire gezelligheid voor de Amsterdamse hogere kringen duurde niet lang. Willem Kes, de eerste chef van het Concertgebouworkest, eiste stilte. Vanaf 1890 mocht men niet meer vrijelijk in- en uitlopen. In 1893 verdwenen de tafels en werd de zaal volgezet met de rijen stoelen die er nog steeds staan. Klassieke muziek was niet langer klassieke muzak. Het was hoge kunst, waarnaar moest worden geluisterd in eerbiedige stilte.

„Een verbazingwekkende stilte” volgens de socioloog en muziekliefhebber Cas Smithuijsen, die er in 2001 op promoveerde. Nog steeds verlangt men in chique wetenschappelijke kringen terug naar die goede ouwe tijd, toen de concertzaal tevens een foyer en een muzieksociëteit was. Nu is er het boek Van hoge naar nieuwe kunst van Hans Abbing, hoogleraar kunstsociologie en dance-liefhebber.

Abbing voorziet het einde van een groot deel van de klassieke muziekpraktijk, als die geen eind maakt aan de stijve etiquette van zitten, kop dicht en luisteren. Ook om een eind te maken aan vergrijzing moet klassieke muziek worden gebracht in een lossere sfeer, zoals bij popconcerten. Men moet kunnen staan, wat drinken, in- en uitlopen. Of tijdens het concert een tekening maken, zoals Abbing zelf graag wil.

De klassieke muziekwereld is de beroerdste niet. In 2002 kreeg Cas Smithuijsen in de Groningse concertzaal Oosterpoort zijn ‘Serie Smithuijsen’. Het waren vijf klassieke concerten waarbij de conventies en de etiquette werden afgeschaft. Alles mocht, ook kuchen en niesen, de concertzaal werd als de huiskamer thuis.

Het resultaat viel tegen, of mee, zoals anderen vonden. Twee meisjes hadden opdracht gekregen om zich wat stout te gedragen, ze kletsten een tijdje honderduit, dronken een blikje leeg en aten chips. Verder gedroeg iedereen zich even netjes als op een koffieconcert, waar al decennialang een informele sfeer heerst. Men had geen kaartjes gekocht om in de concertzaal flink te keten en te klieren. Een oudere man sabbelde zoet op zijn lolly. Tijdens het Achtste strijkkwartet van Sjostakovitsj was het publiek stil, doodstil.

Ik ken een frequent toneelbezoeker, die ook klaagt dat hij niet op de maat van de muziek mag bewegen tijdens een klassiek concert. „Mag ik dan tijdens een toneelstuk daar wel doorheen kletsen?” „Nee, want dan kan ik het niet meer horen. Mensen kletsen er steeds meer doorheen, het ‘brede publiek’ ziet toneel als televisie.”

Waarom maken popzalen zich geen zorgen over te weinig AOW-ers in de zaal en krasse knarren, zoals ik? Ik ben óók jong geweest. Ik was in New York bij een concert van Janis Joplin, ik heb Bob Dylan, Led Zeppelin, Bruce Springsteen en David Bowie live gehoord. De wat serieuzere popbezoekers ergeren zich aan het oorverdovende geklets in het Amsterdamse Paradiso. Het lijkt steeds meer een luidruchtige kroeg, waarbij iedereen elkaar overschreeuwt. Ook artiesten, zoals Milow, klagen erover. Daarom gaat de band Johan op tournee in theaters, daar zit het publiek kalm op stoelen.