Het mes in fabels en lasterpraat

Een bloemlezing uit het werk van de Noord-Afrikaanse historicus en en diplomaat Ibn Khaldûn toont aan met hoeveel profijt en plezier hij nog gelezen kan worden.

Ibn Khaldûn: De Muqaddima. Gekozen en vertaald uit het Arabisch door Heleen Koesen en Djûke Poppinga. Met een inleiding door Peter Rietbergen. Bulaaq, 318 blz. € 24,50

Maaike van Berkel en Rudi Künzel (red.): Ibn Khaldûn en zijn wereld.. Bulaaq, 287 blz. € 45,-

Ook de geschiedenis is een onderwerp van controverse geworden in wat, met een groot woord, de ‘ideeënstrijd’ heet die in Nederland nu al een jaar of acht woedt over de islam. Islamitische apologeten schilderen het 14de-eeuwse Andalusië bijvoorbeeld af in hemelse termen als een ideale samenleving, met de nauwelijks verholen suggestie dat alles in orde komt, als de ware, ‘vreedzame’ islam maar aan de macht is. Belligerente critici van de islam proberen er anderzijds onvermoeibaar de boodschap in te rammen dat de islam nog nooit iets goeds heeft opgeleverd, ook toen al niet. Zelfs het bewaren en doorgeven van de werken van Aristoteles, een erkend historisch feit, wordt moslims soms niet meer gegund: dat zouden we namelijk te danken hebben aan onze christelijke broeders in het belegerde Byzantium.

In zo’n heftig gepolitiseerd klimaat is het altijd goed terug te gaan naar de bronnen. Was de islamitische cultuur er echt alleen maar eentje van ‘magazijnbediendes’, zoals eens is opgemerkt door weer een andere scherpschutter in de ideeënstrijd? Voor de filosofie is zo’n gang naar de bronnen zeker niet zonder problemen, omdat de meeste werken van beroemde islamitische denkers als Ghazali, Ibn Rushd en Ibn Sînâ minstens zo ver van de moderne lezer afstaan als het scholastieke werk van Thomas van Aquino en Duns Scotus, of de compacte beschouwingen van Aristoteles zelf. Kennis van de historische en religieuze context, en beheersing van het exotische begrippenapparaat van deze geleerden vergt een inspanning die gemeenplaatsen over ‘de islam’ en ‘het Westen’ ver achter zich laat.

Iets eenvoudiger lijkt dat met het beschrijvende werk van historici, zoals de beroemde Muqadimma van de Noord-Afrikaanse historicus, jurist en diplomaat Ibn Khaldûn (1332-1406), sinds de herontdekking van zijn werk in de 19de eeuw veelvuldig geprezen als ‘de eerste socioloog’ of zelfs als ‘de vader van de wereldgeschiedschrijving’. De 14de-eeuwse Wali al-Din ‘Abd al-Rahmân ibn Khaldûn, geboren in Tunis, had een lange carrière als jurist, rechter en diplomaat, maar vestigde zijn roem vooral als auteur van De Muqadimma. Arnold Toynbee roemde het als ‘het indrukwekkendste werk in zijn genre ooit geschreven door enige geest in enigerlei tijd en op enigerlei plaats’.

Dat oordeel is enigszins overspannen, maar het neemt niet weg dat Ibn Khaldûns grootse verhandeling over de geschiedenis van steden en rijken, en over de status van traditionele wetenschappen, een indrukwekkend werk is dat nog altijd, met profijt en zelfs plezier, kan worden gelezen. Eindelijk is dan nu ook een deel van de tekst in een soepele Nederlandse vertaling beschikbaar, door de uitgever begeleid met een bundel deskundige en leerzame opstellen van arabisten, antropologen en filosofen over de auteur en diens wereld.

In De Muqadimma (wat zoveel betekent als ‘inleiding’: het werk was bedoeld als eerste boek van een driedelige geschiedenis van de Arabieren en de Berbers), geeft Ibn Khaldûn onder veel meer een kritische beschouwing over geschiedschrijving die prikkelend actueel, zo niet modern aandoet. Hij analyseert daarnaast de opkomst en ondergang van Arabische dynastieën die uit een nomadische samenleving waren opgekomen, hun rivalen uitschakelden en een stedelijke cultuur vestigden, en vervolgens decadent werden en in verval raakten, het lot van alle rijken.

Als gelovige moslim was Ibn Khaldûn er van overtuigd dat de islam het summum was van menselijke beschaving, maar als historicus kon hij vermoeden dat ook het lot van de islam onzeker was. In een ander werk, zijn autobiografie, vertelt hij het roemruchte verhaal van zijn bezoek als diplomaat, in 1400 of 1401, aan het kamp van de Mongoolse veroveraar Timoer Lenk, gelegerd voor de muren van Damascus. Ibn Khaldûn zag mogelijk in de ongetemde nomadenleider de heerser die de decadente islamitische wereld nieuw leven kon inblazen. Hoe die wereld zich zou verhouden tot de ‘oorspronkelijke’ islam, was natuurlijk nog maar de vraag.

Ibn Khaldûns analytische, cyclische visie op opkomst en ondergang van wereldrijken, en zijn scherpe kritiek op zijn collega-historici, maken een groot deel van de aantrekkingskracht van zijn werk uit. De traditionele islamitische geschiedschrijving, gebaseerd op gezaghebbende mondelinge overlevering, was volgens hem ‘doordesemd van fabels en lasterpraat’, en dus onbetrouwbaar. Verhalen werden niet getoetst aan de logica of opgenomen in een rationele historische context, volgens Ibn Khaldûn voorwaarden voor deugdelijke geschiedschrijving.

In zijn beschrijving van de landelijke en stedelijke islamitische samenleving maakte de historicus op zijn beurt gebruik van ‘sociologische’ begrippen, die volgens veel commentatoren modern aandoen en die nog doorwerken in de antropologie van Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Kenmerkend voor die samenlevingen was volgens Ibn Khaldûn ‘asabiyya, een lastig te vertalen begrip dat onder meer loyaliteit en groepssolidariteit aanduidt.

Een andere bewonderaar van Ibn Khaldûn, de invloedrijke socioloog en antropoloog Ernest Gellner, heeft gebruik gemaakt van dit begrip in zijn beschrijving van de spanning die er volgens hem bestond tussen staat en samenleving in islamitisch-Arabische culturen. Moderne antropologen hebben het begrip gekritiseerd en wijzen erop dat het begrip ‘clan’ of ‘stam’ niet zo helder is als Gellner én Ibn Khaldûn suggereren: in de praktijk zijn politieke en economische belangen vaak even sterk als familiebanden, waarvan de grenzen bovendien onderhevig zijn aan conjuncturele aanpassingen, al naar gelang de situatie dat vereist.

Met zijn ‘moderne’ inzet werd Ibn Khaldûns werk vanaf de 19de eeuw een dankbare bron voor tal van Europese, Arabische en Turks-Ottomaanse politici, bestuurders en ideologen die er hun voordeel mee dachten te doen, of er hun gelijk mee meenden te halen. In zijn bijdrage aan de bundel Ibn Khaldûn en zijn wereld maakt de filosoof Michiel Leezenberg duidelijk waar de grenzen van die moderne interpretatie liggen, en het grote hineininterpretieren begint. Hij laat overtuigend zien welke politiek-culturele factoren een rol speelden in de herontdekking van Ibn Khaldûn vanaf de 19de eeuw. Arabische machthebbers probeerden hem in te lijven in een van staatswege aangeblazen cultureel nationalisme. Europese koloniale bestuurders en antropologen voerden zijn werk op hun beurt juist aan als rechtvaardiging van blijvend westers gezag over de onbeheersbare, door loyaliteit aan de clan gedreven Arabieren.

Leezenberg concludeert dat de leuzen waarin Ibn Khaldûn wordt aangeprezen als ‘de eerste socioloog’ of zelfs als voorvechter van supply side economics (door de Amerikaanse president Reagan) de premoderne context van het werk van Ibn Khaldûn miskennen. Daarin was bijvoorbeeld nog geen sprake van een strikte scheiding tussen seculiere en religieuze rede, of van wetenschappelijke theorie en empirische waarneming. Dat betekent niet dat Ibn Khaldûns historische visie van de weeromstuit ‘primitief’ kan worden genoemd (net zomin als die van Herodotos of Macchiavelli, met wie hij wel is vergeleken), maar wel dat hij cruciale aannames van het moderne denken niet deelt, zoals het voor de moderniteit kenmerkende seculiere tijdsbesef en vooruitgangsgeloof.

Wie onder druk van het islamdebat de verleiding van het anachronisme desondanks niet kan weerstaan, kan bijvoorbeeld plezier beleven aan Ibn Khaldûns soms bewonderende, dan weer schampere woorden over de Berbers. De geleerde ging prat op zijn elitaire Arabische afkomst en beschreef de nomadische Berbers als een rebels volk dat niet in staat is tot ‘gehoorzaamheid en onderwerping’ aan de normen van de islam. Ook de islam worstelde dus al met de onaangepaste jeugd uit de buitenwijken, zou je met een bizarre boog naar het heden kunnen zeggen. Sommige Haagse politici zullen ervan opkijken.

Juist omdat de kwaliteit van de stukken in de bundel hoog is, stelt de langverwachte vertaling van Heleen Koesen en Djûke Poppinga enigszins teleur. Dat ligt niet aan hun stijl – de Nederlandse tekst is heel vlot leesbaar –, maar aan de beperkte keuze uit het werk van Ibn Khaldûn. De vertalers wijzen er zelf al op dat een volledige vertaling van De Muqaddima 1.200 bladzijden zou beslaan. Koesen en Poppinga hebben zich daarom beperkt tot de hoofdstukken waarin Ibn Khaldûn zijn theorieën uiteenzet over beschaving en geschiedschrijving, en zijn kritiek uit op de traditionele islamitische historiografie.

Die keus is verdedigbaar, maar er kleven ook bezwaren aan. Juist de meer ‘niet-moderne’, curieuze en intrigerende passages waar verschillende, ook lezenswaardige, artikelen in de begeleidende bundel naar verwijzen ontbreken nu, zoals Ibn Khaldûns bespreking van alchemie, astrologie en andere occulte wetenschappen, of de verhandelingen over religieuze openbaring. Dat is jammer, want die laten iets zien van de tijdgebondenheid en ambivalenties in het werk van deze historicus.

Dat neemt niet weg dat ook deze beknopte selectie een meer dan welkome aanvulling is op het overvloedige aanbod aan vlugschriften over de islam – en een correctie op het hatelijke beeld van moslims als eeuwige magazijnbediendes.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Ibn Khaldûn In Het mes in fabels en lasterpraat (Boeken, 6 februari, pagina 7), staat een verkeerde prijs van de besproken bundel over Ibn Khaldûn. Het boek kost evenals de vertaling van de Muquaddima € 24,50. Beide boeken samen zijn te koop voor € 45,-.