Het gietijzeren ik

Volgens Fichte begint filosofie en alle kennis met het ik. Maarten Doorman en Fredie Beckmans bezoeken graven van filosofen.

Gezellig liggen ze bij elkaar: meneer en mevrouw Hegel en meneer en mevrouw Fichte. Hegel koos zelf het plaatsje naast zijn voorloper uit en de dames voegden zich, zoals toen wel vaker. Maar wie de geschiedenis van de filosofie een beetje kent, die schrikt. Want hoe nietig is het graf van de grote Hegel naast de enorme obelisk van de marginale Fichte!

Niettemin klopt het. Want alle filosofie, nee, alle kennis, nee de hele wereld begint volgens Fichte met het ik dat zichzelf in het leven roept. Het is een absoluut ik, dat zichzelf pas ervaart door het andere, het niet-ik tegenover zichzelf te stellen. Toen opstandige studenten een keer de ruiten bij Fichte ingooiden, merkte Goethe dan ook op dat het wel erg onaardig was van al die niet-ikken, om de ramen in te gooien bij het ik dat hen pas mogelijk had gemaakt.

Zoals het woord ich zich reeds aftekent in de naam van Fichte, zo torent deze fallische stenen zuil op de Dorotheenstädtischer Friedhof hoog boven al het andere uit. Fichtes filosofie van het ik is wel eens psychologisch benaderd door te laten zien dat zijn moeder hem afwees, dat hij snel gekrenkt was, ook omdat hij geen diploma’s had en arm was, maar dat is een beetje flauw bij zo’n scherpzinnig denker.

Toch kun je er niet om heen als je dit enorme ding ziet. En het was nog erger, want het gevaarte is een kleine uitvoering van hoe dit ik zich manifesteerde voor Berlijn in 1945 met de grond gelijk werd gemaakt. Toen was die zuil veel groter, en van gietijzer uit de Koninklijke IJzergieterij bovendien. Wat zullen de werkmannen gevloekt hebben, die het in 1889 moesten verplaatsen omdat de Hannoversche Straße verbreed werd en beide echtparen dienden te verkassen.

De verweerde tekst op de zuil van deze van atheïsme beschuldigde filosoof is even lastig leesbaar als zijn werk zelf en komt uit het bijbelboek Daniël: „En de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altoos.”

Zouden de beide dames naast hem in onze nieuwe eeuw zo langzamerhand niet eens een tijdje naast iemand anders willen liggen?

Maarten Doorman