Gij zult niet sterven

De fenomenale roman ‘De morgen loeit weer aan’ van Tip Marugg eindigt raadselachtig vlak. Waarom? Het Verzameld Werk en een interviewboek geven het ontluisterende antwoord.

Tip Marugg: De hemel is van korte duur. Verzameld Werk 1945-1995. Samengesteld door Aart G. Broek en Wim Rutgers. De Bezige Bij, 704 blz. € 19,90

Petra Possel: Niemand is een eiland. Het leven van Tip Marugg in gesprekken. De Bezige Bij, 128 blz. € 18,90

De Curaçaose schrijver Tip Marugg (1923-2006) leefde bij gratie van de alcoholische roes en deed daarvan in lyrische bewoordingen verslag. Iets dergelijks was sinds Slauerhoff niet meer in het Nederlandse taalgebied vertoond. Toen Marugg in 1988 met zijn roman De morgen loeit weer aan een nominatie kreeg voor de AKO-literatuurprijs, werd hij dan ook in één klap tot ‘cultschrijver’ gebombardeerd.

De late doorbraak van deze magistrale stilist, die in ijlende drankvisioenen leek te schrijven, wekte nieuwsgierigheid naar zijn twee voorgaande romans Weekendpelgrimage (1958) en In de straten van Tepalka (1967), die enige tijd gretig aftrek vonden. Waarna hij weer in de vergetelheid leek te verzinken. Nu is van de eenzaam gestorven schrijver met het kleine oeuvre, waaronder één van de aangrijpendste Nederlandstalige romans ooit, het Verzameld Werk verschenen. Maruggs drie romans zijn erin opgenomen, zijn gedichten, een verzameling korte stukken en enkele essays over de eenzelvige eilandbewoner.

Tegelijk met het Verzameld Werk publiceerde radiojournaliste Petra Possel een serie gesprekken over Marugg, waarin we nader kennis maken met de ‘kluizenaar van Pannekoek’, zoals hij werd genoemd naar het afgelegen gehucht waar hij woonde met zijn vier valse honden, zijn boeken, typemachines, whisky en bier. Er kwamen wel eens familieleden langs, letterkundigen, collega-schrijvers als Boeli van Leeuwen en Frank Martinus Arion en nieuwsgierige Nederlandse journalisten. Met een aantal van hen heeft Petra Possel gesproken om erachter te komen of Marugg werkelijk een kluizenaar was of dat het slechts een imago was dat hij zorgvuldig in stand hield. Ook probeerde ze te achterhalen of de protestants opgevoede, maar door priesters opgeleide blanke Antilliaan wellicht homoseksuele neigingen had.

Aan het eind van zijn leven schakelde Marugg de twintigjarige Haïtiaanse tuinman Pepe Duval in om voor hem te zorgen. Het is een verdienste van Possel dat ze deze Pepe, die jarenlang bij Marugg in huis woonde, bereid heeft gevonden tot een gesprek. Marugg was ‘mi pappa’, vertelt hij. ‘Hij had in mij meer vertrouwen dan in wie dan ook van zijn familie.’

Dat laatste valt te begrijpen. Typerend is de verwijdering die optrad tussen Marugg en zijn broer Frank. Die had hem ervan weerhouden voor de dood te kiezen, toen hij als gevolg van roken, drinken en weinig bewegen zijn been moest laten amputeren. Na de amputatie had Marugg spijt en was hij boos op zijn broer die hem in zijn ogen had gedwongen tot doorleven. ‘Frank leefde verder met wroeging over het advies dat hij Tip had gegeven. Na jaren van wekelijkse bezoeken, bleef hij weg, hij kon het niet langer aanzien. Net als de meeste mensen trouwens, meestal op Tips eigen verzoek. Hij wilde zo niet meer gezien worden. En de mensen wilden hém niet meer zo zien,’ schrijft Possel.

En dit is het eigenlijke thema van Maruggs werk: niet dood mogen, omdat je het leven als een Godsgeschenk moet beschouwen of anders wel als een opdracht. Ook, of juist als je niet om dat geschenk hebt gevraagd of de opdracht niet ziet zitten. De morgen loeit weer aan is het relaas van een man die zich moed indrinkt om er een einde aan te maken. De hoofdpersoon zit in de tropennacht op de stoep van zijn huis en mijmert, beneveld door alcohol, over zijn zinloze bestaan. Hij heeft geen partner, geen kinderen, geen andere dierbaren. Er is niets dan de gelukzalige roes die hem aan het leven bindt, maar voor hoe lang nog?

Al aan het begin van De morgen loeit weer aan beschrijft de ik-figuur hoe hij iedere nacht tegen het ochtendgloren naar zijn bed wankelt en zijn pistool klaar legt. In zijn halfslaap fantaseert hij over zijn ultieme daad: ‘Ik strek mijn arm uit en neem het pistool van het nachtkastje. Het metaal is door de airco snel koud geworden. Ook vogels sterven in het ochtendblauw, zeg of denk ik en haal de trekker over. Behalve de vier honden zal er wel niemand zijn die de knal hoort. Ik heb geen naaste buren en op zulk een uur zijn er geen voetgangers op de weg.’

In de hoofdstukken die volgen, werkt Marugg de metafoor van de vogels die sterven in het ochtendblauw uit. Vier maal is zijn personage op de zuidhelling van de Grote Berg getuige geweest van dit fenomeen waarbij een vlucht vogels in volle vaart op de rotswand aanvliegt, de nieuwe zon tegemoet. Altijd remmen drie of vier vogels hun pijlsnelle glijvlucht niet af en slaan op de rotswand te pletter. Een verklaring voor deze ‘onnatuurlijke zelfvernietiging’ is dat het met voorbedachten rade gebeurt ‘en wel door vogels die niet meer in staat zijn tot het verrichten van de paringsdaad.’

Voor de ik-figuur is de paringsdaad geen levensvervulling meer, al heeft die ooit voor extatische, soms troostrijke momenten gezorgd. Marugg wijdt er zijn mooiste gedachten en beschrijvingen aan, maar de zinloosheid druipt ervan af. Hij kan zich maar beter te pletter vliegen. Niettemin valt er in afwachting van dat moment nog veel te lachen, vooral als Marugg in de geest en stijl van Karel van het Reve over religie schrijft, belichaamd door een godsdienstwaanzinnige Venezolaanse oom.

Maar het leven is niet alleen absurd, het is vooral intens wreed. Een visioen over militairen die zonder doel of reden buurman Fernando komen martelen, diens vrouw en dochter verkrachten, om vervolgens de hele boel in brand te steken, is te gruwelijk om onder ogen te zien. De verteller die het voor zich ziet wil dood, en ook voor de lezer is het is niet meer uit te houden, het verlangen naar het genadeschot. Maar dat blijft – o raadsel – in het boek om onbegrijpelijke redenen uit.

Bij het herlezen van De morgen loeit weer aan heb ik mij opnieuw verbaasd over het laffe slot van de roman. Het lijkt wel alsof één van de priesters van Maruggs middelbare school nog op het laatste moment censuur heeft gepleegd. Maar uit het boek van Possel blijkt wat er werkelijk is gebeurd: niet alleen Marugg is tot verder leven gedwongen, ook zijn romanpersonage werd geen zelfverkozen dood vergund. Aart G. Broek, één van de samenstellers van Maruggs Verzameld Werk, stak er een stokje voor, onthult hij aan Possel in Niemand is een eiland. Broek, socioloog en letterkundige, heeft samen met de schrijver zitten ‘schuiven’ in de opbouw van De morgen loeit weer aan. ‘Het eindigt nu met de dreiging dat de hoofdpersoon er een einde aan maakt, maar als lezer weet je niet of hij de trekker daadwerkelijk overhaalt. […] In Tips eerste versie ging de trekker wél over. Dat kán niet, past niet, dan haal je de hele thematiek onderuit.’ Aldus Broek, tot wie het dus nooit is doorgedrongen dat juist hij met zijn ‘schuifwerk’ Maruggs thematiek van een inktzwarte depressie, die ook op zwart had moeten eindigen, de nek omdraaide.

En alsof dat nog niet erg genoeg is besluit het Verzameld Werk met een essay van dezelfde Aart G. Broek over de lichtschuwe levenshater onder de titel ‘Levenslust in het halfduister’. Daarin geen woord over zijn gerommel met het slot van De morgen loeit weer aan, wél opnieuw een ontkenning van Maruggs angst voor het licht, die hem nooit naar het halfduister deed verlangen, maar naar de zwartzijden omarming van de diepdonkere nacht. Broek noemt zulk verlangen ‘weinig verheffend, zoals Maruggs romans, vooral De morgen loeit weer aan, aanschouwelijk hebben gemaakt’. Ten slotte wil Broek ons zelfs laten geloven dat ‘de drang tot leven’ ervoor gezorgd heeft dat Marugg , ‘zijn beperkingen ten volle accepterend’, zelfmoord afwees.

Vergelijk deze zoetsappigheid met het ook in het Verzameld Werk opgenomen interview van Cees Zoon met Marugg: ‘Hij houdt een afgewogen pleidooi voor het recht op zelfmoord. Heeft daar lang en rationeel over nagedacht: zelfmoord als rationele beëindiging van het leven. Alleen dan heb je een compleet, heel leven geleid, als je het zelf beëindigt.’

En tot zolang is er de roes en het schrijven over de roes, waar we dit fenomenale werk aan danken.

In 2004 bezocht Birgit Donker de Antilliaanse schrijvers Frank Martinus Arion, Tip Marugg en Boeli van Leeuwen. Zie nrcboeken.nl voor die reportage en voor meer artikelen over Marugg.