Elke overlevende heeft zijn eigen demonen

Tristan Hughes: Geestverschijning. Vert. Karina van Santen en Martine Vosmaer. Nw A’dam, 256 blz. € 16,50

Drie volwassenen keren terug naar het verleden om de confrontatie aan te gaan met een gruwelijke gebeurtenis die hen sinds hun jeugd niet meer heeft losgelaten. Het klinkt als een boek dat je al eens hebt gelezen, een film die je al eens hebt gezien, een toneelstuk waarvan je ooit een recensie las. En toch slaagt Tristan Hughes erin dit thema nieuw leven in te blazen. Niet door zijn roman Geestverschijning (Revenant) vol te stoppen met onverwachte wendingen, maar door personages te scheppen met wie je meeleeft, zodat je wilt weten wat er met ze is gebeurd. Bovendien schrijft hij goed. Hughes’ stijl is al even kaal en hoekig als Ynys Môn, het eiland in het noorden van Wales waar het verhaal zich afspeelt en waar de schrijver ook zelf woont. Een landschap vol plooien en groeven ‘waar de huizen zich aan vastklampen als witte vlokken levenloze huid’.

Del, het mollige meisje met de uilebril, was ooit de aanvoerder van het vriendenclubje dat het eiland onveilig maakte, en waar ook het meisje Steph en de jongens Neil en Ricky deel van uitmaakten. Tien jaar nadat Del voor de ogen van de anderen verdronk, ontmoeten Steph, Neil en Ricky elkaar weer. Het verhaal wordt verteld in korte hoofdstukken, waarin telkens een van drie overlevenden aan het woord is. Ze hebben elk hun eigen demonen, en hun eigen visie op wat er gebeurd is. Soms wekken ze de indruk van rondzwervende geesten die geen rust gevonden hebben, alsof juist zíj het niet hebben overleefd.

Door middel van flashbacks wordt langzaam duidelijk hoe het is gegaan. Hughes maakt geen spektakelstuk van Dels dood, het gaat hem niet om de gebeurtenis, maar om de mensen die hij beschrijft, en hun onderlinge verhoudingen, die ervoor zorgen dat het drama bijna onvermijdelijk wordt. De ambivalenties en hunkeringen die bij vriendschappen hun onderhuidse rol spelen, weet Hughes uitstekend op te roepen.

Toch valt er op Geestverschijning wel wat aan te merken; sommige verhaallijnen krijgen minder aandacht dan ze verdienen en vooral in het begin eindigen de hoofdstukken vaak met korte, staccato zinnen, die te nadrukkelijk vooruitwijzen naar het drama dat in het boek centraal staat. Dat had subtieler gekund; een schrijver mag de lezer bij de hand nemen, maar hij hoeft die hand niet fijn te knijpen.

Wat blijft is een meeslepend verhaal, met mooie, onverwachte vergelijkingen. Lees bijvoorbeeld hoe Steph wordt beschreven door een geïrriteerde Ricky: ‘Steph is net een Rubiks Cube, ik zweer het. Draai je haar de ene kant op, dan kloppen alle kleuren, draai je de andere kant op, dan zitten ze allemaal door elkaar. […] Soms wil je gewoon de plakkertjes eraf halen en ze terugplakken waar je ze hebben wilt.’

Tja – als het zo eenvoudig was hoefden er geen romans geschreven te worden over de moeizame, door haat en liefde geteisterde manieren waarop we met elkaar omgaan, of we nu klein zijn of groot.