Een familie op de schroothoop

Marlene van Niekerk zet in ‘Triomf’ de Afrikaners vlak voor de eerste democratische verkiezingen neer als één grote incestueuze bende.

Triomf van Marlene van Niekerk (vert. Robert Dorsman en Riet de Jong-Goosens) is het vierde boek dat besproken wordt in de ‘AfriCanon’ van NRC Handelsblad.

Marlene van Niekerk vertegenwoordigt de Zuid-Afrikaanse literatuur in de AfriCanon en dat heeft iets eigenaardigs. Het land bracht immers twee Nobelprijswinnaars voort, dus waarom geen werk van J.M. Coetzee, in plaats van het relatief recente Triomf van Marlene van Niekerk.

Ik denk dat die keuze mede bepaald is door een behoefte een zekere band te benadrukken tussen Nederland en Zuid-Afrika die wordt gezocht in de taal. Het Afrikaans wordt vaak nog beschouwd als een exotisch onderdeel van het Nederlands. Knorr speelde daar indertijd feilloos op in met reclame waarin woorden als ‘amperbroekie’ en ‘hysbakkie’ ons moesten verleiden tot het kopen van zogenaamde ‘wereldgerechten’. We gaan sinds het einde van de apartheid met het Afrikaans om alsof het een teruggekeerde verloren zoon is, en die houding is niet vrij van sentiment. Want we begrijpen de taal niet werkelijk, dat benadrukte Antjie Krog vorige week nog in een interview over haar gedichtendagbundel Waar ik jou word, toen ze uitlegde dat we de Afrikaanse betekenis van ‘ik en jij’ hier in Europa niet kunnen begrijpen.

Het gevoel van onbegrip dat te maken heeft met die vermenging van identiteiten, dringt zich ook onontkoombaar op bij het lezen van Triomf. Het gaat dan niet om een keuze voor Coetzee of Van Niekerk, want ook de romans van Coetzee houden de lezer op afstand – maar die worden er niet slechter van als je ze niet helemaal begrijpt. En ook Triomf is een sterk boek. Dat onbegrip zit vooral in de beweegredenen van de personages. Ze werden in deze boekenbijlage ooit omschreven als ‘de Tokkies van Zuid-Afrika’, maar die beschrijving klopt maar ten dele. In Triomf, een wijk in Johannesburg die in de apartheidsjaren zonder ironie deze naam kreeg, woont inderdaad alleen white trash. Maar er is meer aan de hand dan de weergave van een asociale wijk. Hier speelt de familie Benade de hoofdrol waarin het vrouwelijke hoofdpersonage Mol door haar twee broers én haar epileptische, incestproduct Lambert emotioneel en seksueel wordt misbruikt. Hoewel de positie van de vrouw interessant wordt uitgewerkt, is het toch niet waar het om gaat in deze roman. De vraag die deze verwoeste en verwoestende familie oproept, is: waarom schreef Van Niekerk het verhaal juist toen? Het boek speelt zich af vlak voor de eerste democratische verkiezingen in Zuid-Afrika. Zelfs de hele wereld was euforisch over de ontwikkelingen. En juist dan komt Van Niekerk met een zeer pessimistisch verhaal.

Hoe krijgt dat sombere verhaal vorm? Alle personages zijn verminkt. Broer Treppie lijdt onder zijn jeugdtrauma. En ook Lambert, op wie peuken werden uitgedrukt om hem stil te krijgen, heeft psychische pijn. Broer Pop lijdt onder wat hij ziet en hoort, terwijl hij zich angstvallig terzijde houdt. Deze familie, in een aftands huis vol schroot in de tuin, krijgt vaak bezoek van Nasionale Partij-leden, die het behoud en het belang van de eigen identiteit predikten, juist nu de Afrikaner blanken in de minderheid zijn. Intussen schreeuwen Jehovagetuigen van alles de wijk in. Maar van echte interesse of respect voor de bewoners is bij beide groepen geen sprake.

De Benades bevinden zich namelijk op de schroothoop van de geschiedenis (de afgedankte ijskasten en de omvallende brievenbus waardoor contact met de buitenwereld moeilijk is – desnoods via reclamefolders – zijn veelzeggend). Ze zijn uitgekotst door de maatschappij, of beter gezegd: uitgepoept. Niet voor niets vergelijkt Treppie de geschiedenis met een poephol en zijn ontlasting. ‘Geledigd en ontlast, alles goed. Vrede op aarde.’

Al met al schetst Van Niekerk vlak voor de eerste democratische verkiezingen een weinig florissant beeld van de Zuid-Afrikaanse geschiedenis, van de Afrikaners, hier neergezet als één grote incestueuze bende, en van de angst voor verandering. De zwarte humor, de smerigheid en het tokkiegehalte zijn voor ons nog wel te volgen, maar in de vrees voor verandering kan je je maar gedeeltelijk verplaatsen. Mol en haar mannen staan klaar voor de ‘Grote Trek’ naar het noorden zodra het mis zal gaan wanneer de ‘kaffers’ aan de macht komen. En die angst dat een politieke omwenteling aan de wortels van je bestaan en vooral van je identiteit raakt, is voor een Nederlander – ondanks vermeende taalovereenkomsten – niet te bevatten.

Het getuigt van lef dat Van Niekerk dit boek in 1994 schreef terwijl er overal euforie was. Ze koos niet voor sympathieke slachtoffers, maar voor smeerpijpen, die vergeten zijn door de maatschappij. Enerzijds omdat zij zichzelf altijd al afzijdig hielden, anderzijds omdat in 1994 niemand geïnteresseerd was in arme blanken in Zuid-Afrika. Misschien was dat wel de reden om het boek juist toen te schrijven, maar ik betwijfel het.

Volgende week Arjen Fortuin over Van Niekerks ‘Triomf’. Discussieer mee op nrcboeken.nl/leesclub