Deze nazi was alleen in de keuken de baas

Michael Wallner: Tussen de getijden. Vert. Liesbeth van Nes. Cargo, 302 blz. € 18,90

Er is weinig wat een roman zo makkelijk morele diepte geeft als een oorlog op de achtergrond, zeker als het om de Tweede Wereldoorlog gaat. De Oostenrijks-Duitse auteur Michael Wallner liet in zijn vorige roman April in Parijs zien dat hij dit concept als geen ander begrijpt. Daarin beschrijft hij hoe een jonge Duitse vertaler in dienst van de Gestapo onbedwingbaar verliefd wordt op een meisje uit het Parijse verzet. Terwijl hij overdag assisteert bij martelingen en verhoren, vrijt hij ‘s avonds met de beeldschone dochter van een Franse boekhandelaar.

Dit uitgangspunt bood niet alleen ruimte voor thrillerachtige passages, een steeds onwaarschijnlijker plot en zwaarzoet liefdesproza, maar ook voor een moreel interessante naklank die de roman uiteindelijk gewicht gaf. Bovendien toonde Wallner in zijn eerste internationale romansucces mooi afgepast te kunnen schrijven en scènes goed te kunnen doseren. Dat geeft hem de potentie een succesvol publieksschrijver te zijn.

In Wallners vijfde roman Tussen de getijden – pas de tweede in Nederlandse vertaling – herhaalt hij zijn beproefde methode. Het verhaal speelt weliswaar drie jaar na de oorlog, maar de morele verhoudingen blijven intact. Hoofdpersonage is het jonge Duitse meisje Inga, dat als secretaresse in een Brits militair kamp werkt. Ze is de kostwinner, omdat haar vader als voormalige nazi zijn vroegere baan kwijtraakte.

Inga raakt gefascineerd door de Britse luitenant Hayden, die haar introduceert bij zijn malafide kaartclubje, waarvan ook de weduwe van een oorlogsmisdadiger en een beruchte Duitse zwarthandelaar lid zijn. Dit ongewone gezelschap biedt haar de kans te ontkomen aan de benauwde stemming thuis. En tegelijkertijd verleidt het pokeren haar met opvallend veel gemak om al haar scrupules achter zich te laten.

De motor voor de gebeurtenissen in Tussen de getijden (Zwischen den Gezeiten) is dit keer niet de liefde, maar een haast vanzelfsprekend egoïsme. Dat idee wordt versterkt doordat de personages psychologisch nauwelijks worden uitgediept. Dit gebrek aan psyche lijkt Wallner te willen compenseren met een fysiek gebrek voor iedereen: de luitenant ziet uiterst bleek, Inga’s minnaar praat met consumptie, haar moeder is mank en de paardendokter heeft maar één oog.

Wallner schreef opnieuw een uiterst toegankelijke morele thriller. Maar hij waagt zich geen moment buiten dat sjabloon. Typerend is dat het intrigerendste personage zich in de marge van het verhaal beweegt. Inga’s vader mag een schimmig verleden hebben, maar hij is vooral een milde, haast onnozele man. Hij was vooral nazi om het prachtig gesteven uniform dat hij mocht dragen. ‘Alleen in de keuken werd hij een heerser’, valt te lezen. Zijn personage blijft langer hangen dan de plot die hem voorbij dendert.