De koninklijke sufferd en diens kenau blijven stoffig

Edwin van Meerkerk: Willem V en Wilhelmina van Pruisen. De laatste stadhouders. Atlas, 240 blz. € 19,95

‘Ik ben niet gewoon de baar van sufferds te volgen’, zou prinses Wilhelmina in 1958 hebben gezegd toen haar was gevraagd de herbegrafenis (in het Delftse familiegraf) bij te wonen van stadhouder Willem V, die al sinds 1806 in de dom van het Duitse Brunswijk had liggen verstoffen.

Daar valt moeilijk tegenop te rehabiliteren. Nou was eerherstel misschien ook niet het eerste doel van de jonge historicus Edwin van Meerkerk die een dubbelportret schreef van ‘de laatste stadhouders’ uit de Oranje-geschiedenis: Willem die bij alle historici sinds het eind van de 18de eeuw inderdaad voor een sufferd is doorgegaan, en zijn vrouw Wilhelmina van Pruisen (die van Goejanverwellesluis) die overwegend herinnerd is als een stevige tante, om niet te zeggen een kenau.

‘De negatieve clichés’, schrijft Van Meerkerk aan het eind van een inleidend hoofdstukje, ‘zijn genoegzaam bekend, en het tegengeluid van de Oranjeaanbidders (minus Wilhelmina dus) ook. Het gaat er op deze plaats echter niet om te oordelen, maar om te beschrijven en waar mogelijk tot leven te wekken’.

Beetje al te deftige, stroeve tekst – maar dat is het bezwaar dat het hele verdere boekje aankleeft: proza van een nette jongeheer die in z’n taalgebruik nogal aan Jeroen Snel van het EO-royalty-programma Blauw Bloed doet denken, en die ruim tweehonderd bladzijden lang als de dood lijkt te zijn geweest om een keer uit de plooi te komen.

Een groter en principiëler bezwaar schuilt in de omstandigheid dat Van Meerkerk zo veel minder over de jaren van Willem en Wilhelmina tot leven weet te wekken dan hij zich blijkbaar had voorgenomen. We zijn de laatste decennia getuige geweest van een ware inhaalslag aan publicaties over het wat verwaarloosde tijdperk van de Patriotse revolutie, Bataafse Republiek en Franse overheersing – het tijdperk van het laatste stadhouderspaar dus. En aan de talloze monografieën, bronnenpublicaties (veel over de driftige pers uit die dagen) en politieke analyses voegt de levensbeschrijving-in-duplo eigenlijk bitter weinig toe.

Het is vreemd dat Van Meerkerk die (in onder meer het Koninklijk Huisarchief) veel bronnen heeft kunnen raadplegen, zo krenterig gebruik heeft gemaakt van dagboekaantekeningen en vooral brieven.

Er is zeer druk gecorrespondeerd tussen Willem en zijn lievelingsdochter Louise, van Wilhelmina zijn ‘stukken van staatkundige aard’ bewaard, en beide categorieën (zeg maar de ‘menselijke’ en de ‘politieke’) moeten zeer veel materiaal hebben behelsd dat inhoud en kleur had kunnen geven aan de figuren die nu opgesloten zijn gebleven in een bleke en stoffige boekenwerkelijkheid.

Moet het verhaal van Willem en Wilhelmina deel 1 van een serie worden? Uitgeverij Atlas is er niet duidelijk over, maar het boekje van Van Meerkerk is gesierd met een logootje dat ‘Het huis van Oranje’ als tekst heeft. Waarom ook niet? Waarom dat domein van de geschiedschrijving niet eens radicaal onttrekken aan al die quasi-kenners, hielenlikkers, pluimstrijkers en stroopsmeerders, en het toevertrouwen aan historici die genade noch eerbied kennen, en zich ook niet angstvallig van oordelen onthouden? Dan moge Edwin van Meerkerk zich nog eens revancheren.