Collaboreren zonder scrupules

De Britse historicus Spotts laat zien hoe schimmig voor Franse intellectuelen de scheidslijn was tussen door- en meewerken.

Frederic Spotts: The Shameful Peace. How French Artists and Intellectuals Survived the Nazi Occupation. Yale University Press, 285 blz. €40,-

In de herfst van 1941 reist een groep Franse schrijvers op uitnodiging van Goebbels naar Duitsland, zogenaamd om in Weimar een congres van Europese schrijvers bij te wonen. In werkelijkheid gaat het om een propagandatour van drie weken waarin hun de zegeningen van het nationaal socialisme worden getoond. Niet dat het nodig is – de meesten van hen, zoals Ramon Fernandez en Robert Brasillach, zijn devote collaborateurs, die in de Duitse bezetting van hun land het begin van een heerlijke nieuwe wereld zien. Hun overgave is totaal: de populaire schrijver Marcel Jouhandeau schrijft bij zijn terugkeer met masochistische hartstocht dat hij het liefst van zijn eigen lichaam een brug zou willen maken, een ‘pont fraternel’ tussen de Fransen en de Duitsers.

In de Weense Hofburg zitten de schrijvers aan bij een banket van Baldur von Schirach, in Berlijn worden ze met open armen ontvangen door Goebbels zelf. Jouhandeau is diep onder de indruk van diens ‘intelligentie, krachtdadigheid en tegenwoordigheid van geest’. Maar later, wanneer de trein waarin ze reizen onderweg een tijdje stil houdt wegens werkzaamheden aan het spoor, stuiten ze op een troep haveloze mannen. Het zijn Franse krijgsgevangenen, die dwangarbeid verrichten. Als die aan hun landgenoten vragen wat ze in Duitsland komen doen, blijft het stil in de treincoupé. Uit verlaat schuldgevoel weigert het gezelschap daarna het omstreden Straatsburg te bezoeken. Het is een even schaamtevol als loos gebaar, dat hun verdwazing onderstreept.

De Brit Frederic Spotts, die eerder studies schreef over Wagners Bayreuth en de manier waarop Hitler de kunsten in dienst stelde van zijn totalitaire bewind, legt aan het begin van The Shameful Peace uit dat het aanmoedigen van de Franse culturele eigenwaan een doelbewuste strategie was van de bezetter. De Duitsers was er alles aan gelegen om in de bezette delen van Frankrijk een bloeiend cultureel leven in stand te houden. Zolang de theaters en bioscopen vol zaten, zouden de Fransen zich koest houden en kon Hitler zich op Engeland en Rusland concentreren.

De liefde die de in Parijs gestationeerde Wehrmachtofficieren voor Frankrijk en de Fransen voelden, werd alleen met de mond beleden. De mythe van een schitterend Duits-Frans cultureel verbond, waar de collaborerende schrijvers zo heilig in geloofden, was niets anders dan een dekmantel voor een politiek van doelbewuste ondermijning: de Duitsers hielden de Franse kunstwereld al snel in een wurggreep. Ogenschijnlijk werden veel kunstenaars ongemoeid gelaten (de omstreden Picasso kon doorexposeren) maar intussen werden de duimschroeven aangedraaid.

Juist die opgeklopte sfeer van vriendschap tussen beide volkeren en de relatieve inschikkelijkheid van de Duitsers, die in Frankrijk kunst lieten passeren die in Duitsland verboden was, maakte het voor veel Franse kunstenaars zo gemakkelijk om te collaboreren zonder al te veel scrupules. De meeste Franse uitgevers onderwierpen zich vrijwillig aan censuur, Amerikaanse en Engelse films werden in bioscopen vervangen door Duitse, de boekhandels lagen vol Duitse klassiekers, de concertzalen werden overspoeld door Duitse muziek. Het aanbod was zo overvloedig, dat maar weinig mensen zagen hoe schraal het was – heel weinig was werkelijk nieuw en tussen de drukbezochte premières en overvolle vernissages door werd de kunstwereld hardhandig gezuiverd van ongewenste elementen, in de eerste plaats natuurlijk joden. De collabos in de Franse kunsten mochten dromen van een hooggestemde culturele alliantie, in werkelijkheid ging het om eenrichtingsverkeer: er kwam veel Duitse cultuur naar Frankrijk. Andersom gebeurde er niets.

In zijn voorwoord stelt Spotts dat het in boeken over Frankrijk tijdens de oorlog zelden over het culturele leven gaat. Het gedrag van kunstenaars tijdens de Duitse bezetting, of, in het niet-bezette deel van Frankrijk, tijdens het Vichy-bewind van maarschalk Pétain, komt vrijwel uitsluitend ter sprake in biografieën of memoires van individuele kunstenaars – en wordt dan meestal vergoelijkt. Juist door de schimmige scheidslijn tussen doorwerken of samenwerken was het na de bevrijding voor de meeste kunstenaars gemakkelijk om hun collaboratie af te zwakken of te ontkennen – ze waren nu eenmaal niet politiek bewust en ze hadden heel veel joden het leven gered. De meesten van hen kwamen er genadig van af, ook al omdat de animo om rekeningen uit het verleden te vereffenen na de eerste gewelddadige uitbarsting snel afnam. De woede richtte zich vooral op de meest zichtbare vertegenwoordigers van de collaboratie: de journalisten en schrijvers die zich in hun fascistische blaadjes jarenlang hadden uitgeleefd in verdachtmakingen en hetzes. In een van de ergste tijdschriften, Je suis partout, werden de namen en adressen van joden, verzetsstrijders en communisten bekend gemaakt – en werden de lezers opgeroepen om hun verderfelijke landgenoten aan te geven. Een voormalige hoofdredacteur van dat blad, de jonge, populaire Robert Brasillach, werd in 1945 na een proces van één dag ter dood veroordeeld.

Brasillach was een afstotelijke figuur, die dweepte met alles wat Duits was en die zich uitleefde in virulente uitvallen naar alles wat in zijn ogen Frankrijk naar beneden haalde – joden, linksen, de politici van de Derde Republiek en natuurlijk collega- schrijvers, zoals André Gide – maar of hij de doodstraf werkelijk verdiende, wordt tot op de dag van vandaag betwist (in 2001 schreef de Amerikaanse academica Alice Kaplan een indringend boek over zijn proces, getiteld The Collaborator). Vlak voordat hij voor het peloton moest verschijnen, vroeg een grote groep Franse schrijvers, onder wie enkele van zijn aartsvijanden en Albert Camus, bij generaal De Gaulle om gratie. Hij weigerde, terwijl hij in rustiger tijden wel gratie verleende aan het hoofd van de Franse Gestapo.

In zijn boek gaat Spotts een beetje schools de verschillende disciplines af, de literatuur, de beeldende kunst, het theater, de film. Het beeld daar daaruit oprijst, verrast niet: sommigen, zoals Céline, Brasillach, de pianist Alfred Cortot en de Wagner-sopraan Germaine Lubin, waren overtuigde collaborateurs – het woord zelf had voor hen een louter positieve betekenis. Anderen, zoals de danser en choreograaf Serge Lafar, waren geboren opportunisten; weer anderen omzichtige meelopers. Een enkeling, zoals André Gide en Jean Guéhenno, toonde zich moreel onverzettelijk. Voor de laatste was de aanwezigheid van Duitsers in Parijs een gruwel: ‘Over de Duitser die ik op straat tegenkom: ik weet niet precies wat ik voel wanneer ik dichtbij je ben. Ik haat je niet; ik haat je niet langer. Ik weet dat je nooit mijn meester zult zijn. Ik doe alsof ik je niet zie. Ik doe alsof je niet bestaat… Wanneer je instapt in de metro, gaan we tegen elkaar aan staan om ruimte te maken. Je bent een onaanraakbare.’

Wat veel andere Franse kunstenaars betreft, viel het wel mee met dat onaanraakbare. Spotts gaat er niet op in, maar een van de raadselachtige aspecten van het culturele leven onder de bezetting is hoe gemakkelijk goed en fout zich mengde in Parijs – in de republiek der letteren, de cafés en de salons van bezettingscourtisanes als Marie-Blanche de Polignac en Marie-Laure de Noailes. Toen hem tijdens zijn proces werd verweten dat hij het beruchte Duitse culturele instituut had gefrequenteerd, kaatste Brasillach terug dat hij daar heel artistiek Parijs was tegengekomen: ,,de enige keer dat ik de tegenwoordig zo vooraanstaande uitgever M. Gallimard heb ontmoet, was op het Duitse Instituut…’’

Volgens Spotts kwamen de meeste Franse kunstenaars daar voor de champagne en de petitfours en niet voor de nazi-ideologie, maar hierdoor is het achteraf moeilijk uit te maken wie nu precies wat gedaan heeft: Was Cocteau een overtuigde collaborateur of slechts een artistieke duizendpoot die zich paar keer op foute plekken vertoonde?

Eerder het eerste dan het laatste, volgens Spott. In de meeste gevallen gaat hij niet op de stoel van de rechter zitten, maar hij heeft geen geduld met mooipraters – niet met nazi-officieren die zich in hun latere memoires mooier voordeden dan ze waren, veelal met succes. Ook met de zogenaamde Goede Duitser Ernst Jünger wordt afgerekend en zelfs met linkse helden als Sartre en De Beauvoir, die weliswaar allesbehalve collaborateurs waren, maar zich toch met meer gemak schikten naar de wetten van de bezetter dan ze later wilden toegeven. Ook rekent hij af met de bewonderaars die van Picasso achteraf een verzetsheld maakten – de schilder stond overduidelijk aan de goede kant, maar met het verzet heeft hij niets te maken gehad.

The Shameful Peace – de titel komt van Cocteau, die tijdens de bezetting eens een toast uitbracht op de beschamende vredigheid van het leven tijdens de bezetting– laat zien dat in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, de oorlog ons na verloop van tijd steeds meer nader komt. Naarmate de afstand in tijd tussen ons en WO II groter wordt, is het mogelijk de zaken scherper te zien, juist omdat de emotie van de directe ervaring ons niet langer parten speelt. Meer dan over goed of fout, gaat het boek van Spotts over menselijk gedrag onder vernederende, soms onverdraaglijke omstandigheden. Wat niet zeggen wil dat hij relativeert; juist doordat er zoveel grijstinten zijn, steken de moedige keuzes van mensen als Gide en de acteur Jean Gabin zoveel duidelijker af. Niet dat ze daarvoor werden beloond: toen Gabin na dienst in het Amerikaanse leger weer terug was in Parijs, hoorde hij mensen in de metro zeggen dat hij oud en grijs was geworden en dat hij naar Hollywood was gegaan voor het grote geld. Gide werd na de oorlog zwart gemaakt door communisten, die hem zijn kritische boek over de Sovjet- Unie uit 1929 niet konden vergeven. Veel schuldigen werden niet of nauwelijks bestraft. Ook bracht de ondergang van het Derde Rijk voor veel artistieke meelopers, zoals de zanger-acteur-kluchtschrijver Sacha Guitry, geen zelfinzicht of berouw met zich mee. De meesten van hen beklaagden zich over de manier waarop ze na de bevrijding door het voormalige verzet werden behandeld. Tot aan de dag van hun dood bleven ze volhouden dat ze het allemaal voor Frankrijk hadden gedaan.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Gide Anders dan te lezen was in de bespreking van The Shameful Peace van Frederic Spotts (Collaboreren zonder scrupules, Boeken, pagina 3) verscheen het kritische boek van André Gide over de Sovjet-Unie (Retour de l’URSS) in 1936.