Beschaafd vernis blijkt na korte tijd flinterdun

Theater De God van de Slachting, van Yasmina Reza door Theatergroep Suburbia. Regie: Albert Lubbers. Gezien: 4/2 Schouwburg Almere. Tournee t/m 18/4. Inl.: 036-8448148, www.theatergroepsuburbia.nl * * * *

„Als mannen van hun speeltje beroofd worden, gaan ze zielig in een hoekje zitten met een krom ruggetje”, schampert Tjitske Reidinga in haar rol van Annette in De God van de Slachting. Haar stekelige belediging treft haar echtgenoot Alain, gespeeld door Marcel Hensema. Hun zoon is afgetuigd door zijn vriendje. Twee van zijn snijtanden zijn met een stok weggeslagen.

De Franse schrijfster Yasmina Reza heeft met De God van de Slachting (2006) een intrigerend thema te pakken: het vernis van de beschaving is flinterdun en bladdert bij het minste of geringste af. Het tweede keurige stel vormen Roos Ouwehand als Veronique en Reinout Bussemaker als Michel. De ouders komen bijeen om op geciviliseerde wijze tot verzoening te komen. Bovendien moeten de verzekeringspapieren ingevuld worden.

Regisseur Albert Lubbers heeft zijn eigen gezelschap in Almere, Theatergroep Suburbia. Eerder bracht hij het fameuze Kunst (Art) van Reza op een landgoed; nu betrekt hij de theaterzaal van de schouwburg. Tegen een gestileerde, soms felrood dan felgroen oplichtende achterwand speelt het noodlottige ouderbezoek zich af. De allereerste scène is meteen raak. Ouwehand, als moeder van het slachtoffertje, stelt een verklaring op. De dader was „niet gewapend met een stok” maar gewoon „voorzien van een stok”. Van „verminking” is geen sprake; een kleinigheidje, dat is alles. Wederzijds begrip alom.

Zo keurig kan het natuurlijk niet doorgaan. Toneel vereist een ander register. Als het over kinderen gaat, missen ouders elke redelijkheid: woorden als „beul”, „verrader” en „verklikker” vliegen over en weer. Reza maakt van de overdrijving haar stijlmiddel. Gaandeweg escaleert elke onschuldige bedoelde zin tot een explosie van woede. Reza gaat niet echt subtiel te werk. Het stuk is zo doortimmerd, dat het staketsel van de constructie soms hinderlijk zichtbaar is. Het is nogal eendimensionaal. De personages vormen elkaars contrast: tegenover de middelmatige man die Bussemaker vertolkt, staat de John Wayne-achtige macho van Hensema. Ouwehand als pedagogisch verantwoorde, uitsloverige moeder vindt in Tjistke Reidinga’s Annette een vrouw die een sjieke status-quo handhaaft.

Ook dat laatste gaat fout: nadat ze van feestelijk gebak heeft gegeten, moet Reidinga overgeven. Ze spuugt over de kunstboeken die in stapels op de salontafel liggen. Dit is een cruciale scène. Van verfijnde civilisatie geen spoor. Er wordt volop rum gedronken, gescholden, met tulpen gegooid. Een fraaie zijlijn is het onophoudelijke mobiele bellen van Hensema’s personage: als advocaat moet hij een malafide farmaceutisch bedrijf verdedigen.

Het is duidelijk: de kinderen doen er allang niet meer toe, het spel ontaardt in een strijd tussen ouders. Daaronder weer een nieuwe laag: hun huwelijk is ook al niet meer wat het geweest is. Ellende en opgekropte frustraties komen boven. Er zijn duidelijke parallellen met Who's Afraid of Virginia Woolf? van Edward Albee. Maar dit geïnspireerde stuk telt meer geheimen dan De God van de Slachting. Regisseur Lubbers heeft de ingeleefd-realistische speelstijl bij de acteurs flink aangewakkerd, en met succes. In hoog tempo met uitgelezen gevoel voor ritme schiet de voorstelling voorbij.

Ouwehand priemt telkens een beschuldigend vingertje naar wie haar ook maar tegenspreekt. Bussemaker kan schitterend de woede verbeelden van een man, gevangen in een duf leven. Hensema sart op meesterlijke wijze. En Reidinga heeft het juiste talent om met een effen-schijnheilig gezicht haar tegenspelers diep te krenken. De „God van de Slachting” uit de titel van het stuk duidt op de keiharde, Darwiniaanse levensdrift van de mens. Dit kwartet volwassenen laat zien dat het laagste vlak onder de oppervlakte ligt. Voor je het weet staat iedereen elkaar naar het leven. En dat levert veel ellende op.