Romige soul van Marlena Shaw

Pop Marlena Shaw. Gehoord: 4/2 Paradiso, Amsterdam.

Steeds weer opnieuw ligt haar stem op de snijplank. Klaar om door hiphop- of jazzdancedeejays versneden te worden tot smeuïge smaakmaker van een remix of reclametune. Marlena Shaw is nog altijd een onweerstaanbare zangeres. Of het nu discosoul-klassiekers als California Soul, Woman of the Ghetto en Mercy Mercy Mercy betreft, of scattend in haar jazzgerelateerde werk, Shaw blijft van invloed.

Al op haar tiende debuteerde ze in het Apollo Theater in New York. Ze was de eerste zangeres ooit op het prestigieuze jazzlabel Blue Note en brak in ’68 door als vocaliste in het Count Basie-orkest. Sindsdien zit de zesenzestig jarige Shaw ruim veertig jaar in het vak.

Maar wat geen studioalbum ooit echt goed heeft kunnen vangen is haar uitstraling. Die is krachtig en warmbloedig, bleek gisteren in Paradiso. Inmiddels loopt ze met stok, maar zodra ze die had afgegeven stond er een diva in gele glitters, een wilde loodgrijze haardos en een bewonderenswaardige vanzelfsprekendheid. Ze was direct en plagerig. Shaw blinkt uit zelfspot – wie anders noemt haar album Who is this Bitch, Anyway? (1974).

Opgepookt door haar tintelend groovende band presenteerde Shaw romige soul met een jazzattitude die opviel door durf, spontaniteit en het spel met de ritmes. Shaw heeft swing en bezieling. Ze verwerkte invloeden uit de gospel en rhythm & blues tot een eigen doorleefde stijl: een losse manier van zingen, onverwachte kleuringen en een briljante frasering.

Shaw’s muziek is gelaagd: achter sensuele soul schuilt vaak de blues. Ook typerend was haar geestige, prozaïsche gebabbel. Ze sneerde, slijmde en insinueerde raak, zoals in Go Away Little Boy, een ruige afrekening. Het droeg bij aan de intieme sfeer. „I did not come for the money, but for the love”, zei ze, en dat gaf haar ontspannen houding treffend weer.