Opzij is bang voor het boze seksmonster

Ook het vernieuwde Opzij schaart zich achter de strijd tegen de seksualisering.

Dit terwijl onderzoek over seksualiteit weinig reden tot zorg geeft.

‘In de strijd tegen seksualisering hebben we in Rouvoet een verrassende medestander.’ Het staat er echt. Voor de zekerheid kijk ik nog even op de voorkant. Ja, ik lees Opzij. Het eerste vernieuwde nummer, van februari. ‘Feminisme 3.0 voor iedereen’. Glamoureus gestylede feministen sieren de cover. Blijkbaar heeft zelfs dit feministische bolwerk zich laten verleiden tot een schaduwgevecht tegen het Grote Boze Seksmonster.

Jammer. Maar ik begrijp het heel goed. Twee jaar geleden schreef ik voor De Groene Amsterdammer een stuk over het boek van de Amerikaanse journaliste Ariel Levy. Levy lanceerde daarin het begrip Female Chauvinist Pig, een product van de Amerikaanse geseksualiseerde samenleving. De FCP is de vrouw die zich óf gedraagt als een vrouwelijke macho, of zichzelf omtovert tot een klassieke bimbo. Levy raakte een snaar. Opeens zag ik ze overal. De stoere, te veel drinkende en op televisie met elkaar tongzoenende Katja’s en Sophies, dat waren de macho’s. Marlies Dekkers en Heleen van Royen met hun sneue Stout-tour vertegenwoordigden de bimbovariant.

En er verscheen een Amerikaans onderzoek (2007) waaruit bleek dat jonge meisjes allerlei psychische klachten kunnen ontwikkelen door de representatie van de vrouw als seksueel ding. Ik dacht aan de dochter van een vriend, dertien was ze, die ik zo verleidelijk had zien dansen - dat moest wel door die videoclips komen. Alles viel op zijn plek. De hele wereld ademde seks. Dat kón niet goed zijn.

Het stuk scoorde goed. En ik had het tij mee. Het was 2007: de documentaire Beperkt houdbaar, het manifest Sex moet weer haute couture worden – de strijd tegen de seksualisering en de verbarbiesering van de vrouw was losgebarsten. Maar het begon te knagen. Dat onderzoek was Amerikaans en niet zomaar van toepassing op de Nederlandse situatie. En wat wist ik er nu eigenlijk écht van? Ik besloot met potentiële slachtoffers te gaan praten.

Ik maakte een reportage waarin ik twee groepen jonge meisjes van rond de dertien - uit het Gooi en uit de Bijlmer - vroeg wat zij vonden van de alomtegenwoordigheid van seks, ultradunne modellen en op porno geïnspireerde videoclips. Vooral de meisjes uit de Bijlmer troffen me door hun zelfbewuste houding. Hoe die vrouwen erbij lopen in die clips, dat is niet normaal, dat is ziek. Verhalen over seks voor een Breezer, ja, daar hadden ze wel eens over gehoord. Maar voor hen gold dat hun eerste keer met iemand moest zijn op wie ze verliefd waren. En met ongeduldige types wisten ze wel raad: ‘Als-ie echt van je houdt, dan wacht hij wel. En anders maak je het gewoon uit.’

Hoe kan zo’n verhaal over Breezerseks ertoe leiden dat er een beeld ontstaat van een generatie die seksueel in de war is en enkel nog ontzielde, liefdeloze seks heeft, vroeg ik me af. Onderzoekers van het Willem Pompe Instituut (Universiteit Utrecht) onderzochten de dynamiek van dit soort morele paniek. Zij concludeerden dat die paniek nooit over een echt probleem gaat, maar over een onbeduidend detail dat vaak ook nog eens onwaar blijkt te zijn. De angst wordt standaard geprojecteerd op de jeugd. Maar het verschijnsel waar het ongenoegen écht over gaat heeft vaak te maken met grote maatschappelijke veranderingen: in dit geval is dat onder meer de opkomst van het internet, de toenemende bewegings- en consumptievrijheid van de jeugd en de invloed van de internationale entertainmentindustrie.

Dat mechaniek vond ik ook tijdens mijn onderzoek voor een stuk over het fenomeen Breezerseks. Daarvoor sprak ik met deskundigen en mensen die betrokken waren bij het onderzoek dat aanleiding gaf tot de term Breezerseks. Van het fenomeen zélf bleef weinig meer over. Onderzoek van Rutgers Nisso naar de seksualiteit van jongeren (2005) gaf geen aanleiding tot grote zorg. Een collega-journalist las het. Goed stuk, zei hij, maar ja, niet echt sexy, hè, om zo’n hype te debunken.

Dat merkte ik. Deze tegengeluiden vonden nauwelijks gehoor. Net zomin als bijvoorbeeld de documentaire SEXY van Menna Laura Meijer (2007) waarin jongeren de woorden liefde en seks in één zin durven noemen. Haar film werd zelfs afgedaan als ‘onwaar’, ze zou de boel hebben gemanipuleerd. En ondertussen zwol het geluid van de stop-de-seksualiseringslobby aan. Er kwamen films, een boek. Ministers Rouvoet en Plasterk verklaarden zich loyaal aan de strijd tegen de seksualisering.

En als klap op de vuurpijl lijkt nu dus zelfs het feministische Opzij zich op basis van ongefundeerde uitspraken aan de zijde van de onheilsprofeten te hebben geschaard. De meest cynische verklaring hiervoor is dat ook zij ten prooi zijn gevallen aan het mechanisme dat ze nu juist zeggen te bestrijden: sex sells.

Marte Kaan is freelancejournalist en schrijft onder meer over jeugdcultuur

Lees het artikel van Marte Kaan in De Groene Amsterdammer van februari 2007 via nrcnext.nl/links.