Maar voorzitter, mogen wij ook nog wat zeggen?

In het politieke debat over het Irak-onderzoek staat ook het staatsrecht ter discussie.

Zoals: kan het kabinet Kamervragen doorverwijzen naar een commissie?

Wie eerst het politieke verslag van het Kamerdebat van gisteren wil lezen, bladert nu naar pagina 6. Maar ook het staatsrecht is onderwerp van discussie bij het onderzoek naar de Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog in Irak. Hieronder de kwesties die bij verschillende politici en commentatoren tot verbazing hebben geleid, en soms tot verontwaardiging.

1Welke staatsrechtelijke regels gingen op de schop?

Gisteren stond de verstrengeling van macht en controle centraal. En dus het wezen van de democratie. Er was een woedende oppositie, die zich door een afspraak binnen de coalitie buitenspel gezet voelde. De regeringsfracties spraken immers in 2007 af géén parlementair onderzoek naar de Irak-beslissing te doen. Drie fracties gaven dit wettelijke recht voor het hele parlement alvast uit handen. Een unicum. „Zij gaven iets weg wat niet van hen was”, vatte minister van staat Hans van Mierlo het bondig samen. En er was maandag een premier die tientallen Kamervragen over Irak onverwachts uitbesteedde aan een onderzoekscommissie die pas over negen maanden antwoord hoeft te geven. Politiek komt dat neer op een moratorium: vanaf nu verwijst het kabinet dit onderwerp naar deze besloten commissie.

2Mag dat allemaal van de wet?

Informatie krijgen en zelf onderzoek doen zijn essentiële parlementaire controlemiddelen. Het recht op enquête ligt vast in de grondwet: artikel 70. Ook de informatieplicht staat daar in: artikel 68. Vragen moeten altijd binnen zes weken worden beantwoord. En ministers die de Kamer ‘verkeerd inlichten’ zetten hun politieke leven op het spel. Informeren is de kern van verantwoording afleggen. Als volksvertegenwoordiging zelf openbaar onderzoek doen is een kernbevoegdheid. Zie de Wet op de parlementaire enquête. Maar die wapens moet de Kamer wel willen gebruiken. Tweede Kamer: Lam of Leeuw? luidde de titel van een boek van oud-Kamervoorzitter Anne Vondeling al in 1976.

3De politiek won het van het staatsrecht?

Staatsrecht wordt door de politiek veranderd waar je bijstaat. In 2007 kreeg minister Verdonk nog de eretitel ‘staatsrechtmaakster van het jaar’ van het Nederlands Juristenblad omdat ze na een aanvaarde motie van afkeuring weigerde af te treden. Verdonk (credo: ‘regel is regel’) herschreef ter plaatse de parlementaire vertrouwensregel en mocht van een Kamermeerderheid blijven zitten. Sancties kent het staatsrecht niet, anders dan verlies van vertrouwen in minister of kabinet. Premier Balkenende vatte gister de kernregel samen: „Ik kan nooit verder gaan dan het parlement toestaat.” Het parlement is zelf poortwachter tussen wetgevende en uitvoerende macht. Het oefent net zoveel controle uit als het zichzelf toestaat. Daarom was de Kamer gisteren ook heftig in debat met zichzelf. Obstructie! Nee, waarheidsvinding! Blamage! Nee, depolitiseren moeten we! Onbestaanbaar! Spelletjes spelen! Doofpot! Struisvogels! Schoothondjes! enzovoort.

4Wat zeiden de deskundigen?

Oud-Kamervoorzitter Dick Dolman (PvdA) maakt zich ernstig zorgen over de kracht van het parlement „voor zover die nog bestaat”.

Frans Weisglas (VVD), ook oud-Kamervoorzitter, schreef gisteren in de Volkskrant over „een onaanvaardbare uitholling van het grondwettelijke recht van het parlement op controle en informatie.”

Staatsrechtkenner en oud-senator Jan Vis (D66), voorheen lid van de Raad van State, vindt de gang van zaken „staatsrechtelijk merkwaardig”. Hij hekelt vooral de beslissing om Kamervragen over de Irak-zaak door te geleiden naar de commissie-Davids. Vis: „Sinds de grondwetswijziging van 1983 is een individueel vragenrecht van kracht. Dus zelfs als een meerderheid van het parlement met dit uitstel akkoord gaat, kunnen individuele leden van de oppositie toch eisen op een redelijke termijn antwoord van het kabinet te krijgen. De voorzitter zal die niet mogen weigeren.”

Maar Tijn Kortmann, hoogleraar staatsrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen, wijst erop dat de Kamer zelf „de scherpe kantjes” van de inlichtingenplicht heeft gehaald. In het debat dat destijds over de grondwetswijziging werd gevoerd, stond het parlement het kabinet toe „om redenen van opportuniteit” af te zien van een spoedige beantwoording, ook aan individuele Kamerleden. „Natuurlijke belemmeringen”, waren hiervoor een reden, herinnert Kortmann zich. „Maar dít lijken eerder politieke belemmeringen.”

5Wat is het praktisch verschil tussen de onderzoekscommissie-Davids en een parlementair onderzoek?

De commissie-Davids is ingesteld door het kabinet – door de uitvoerende macht. De commissie stelt zichzelf samen en werkt in het geheim. Er zijn geen openbare getuigenverhoren op tv. De premier zei dat de commissie ‘alle vrijheid’ heeft, toegang krijgt tot alle denkbare bronnen en dat alle betrokkenen aangemoedigd zullen worden om informatie te verstrekken. Balkenende beloofde ook dat het rapport ‘tegelijk’ naar het kabinet en de Kamer zal gaan. Hij noemt het een ‘onafhankelijke’ commissie die ‘objectief’ onderzoek moet doen. De CDA-fractie zei de kwestie zo te willen ‘depolitiseren’. Daarmee gaf het CDA de Kamer (en zichzelf) een brevet van staatsrechtelijk onvermogen: niet in staat om boven het dagelijkse machtsspel te gaan staan. Parlementair onderzoek over deze kwestie ziet het CDA kennelijk als subjectieve partijpolitiek.

Een parlementair onderzoek wordt gehouden door volksvertegenwoordigers zelf. De verhoren zijn openbaar, er wordt gerapporteerd aan de Kamer. Het komt uitgebreid op televisie. In de onderzoekscommissie zitten ook leden van de oppositie, niet alleen van de regeringsfracties. Bij een enquête staan de getuigen onder ede. Wie niet wil komen kan worden gegijzeld. Wie liegt kan worden vervolgd.

6Is die commissie-Davids wel onafhankelijk?

Daar zit een politiek geloofwaardigheidsprobleem. Staatsrechtelijk is het een regeringscommissie die onder ministeriële verantwoordelijkheid functioneert. De commissie krijgt een omstreden dossier ter beoordeling en een hele lijst met zeer kritische Kamervragen waarop het kabinet de antwoorden in concept al klaar heeft. Namens wie zal de commissie die antwoorden geven? Zichzelf, het kabinet, of allebei? Dat is niet helder. Die vragen waren gericht aan het kabinet. En bedoeld om politieke verantwoording af te dwingen bij een premier die zich daar tot maandag jaren tegen verzette.

Om politieke argwaan weg te nemen koos de premier eigenhandig een oud president van de Hoge Raad als voorzitter. Daarmee spreekt hij tegelijk diens krediet als neutrale, onpartijdige rechter aan. Maar hij haalde ook de eerste tactische slag binnen. De premier koos zelf het forum én de persoon van zijn beoordelaar. Komt dit straks het gezag van het rapport ten goede?

7Is een enquête nu van de baan?

Nee, dat was de verrassing van het debat. De premier liet alle reserves tegen een eventuele parlementaire enquête ná het onderzoek van de commissie-Davids varen. Staatsrechtelijk onberispelijk zei hij „wat na dit onderzoek komt is een zaak van het parlement. Een enquête is mogelijk hierna.” De leeuw (en het lam) krijgen dus een nieuwe kans.

Met medewerking van Pieter van Os