En dan valt het toch weer mee

De oppositie wilde een parlementair onderzoek, geen commissie van buiten.

Die komt er wél. Maar tegelijk was de premier onverwacht toegeeflijk.

Het was even wennen voor de oppositiepartijen, gistermiddag in de Tweede Kamer. Jarenlang waren ze te hoop gelopen tegen de „halstarrige weigering” van premier Balkenende om onderzoek te laten verrichten naar de totstandkoming van de Nederlandse steun aan de invasie in Irak. Massaal was men over de premier heen gevallen vanwege de „regenteske manier” waarop hij maandag eindelijk toegaf aan de toenemende druk dat onderzoek toe te staan. Met een commissie van buiten, in plaats van een door het parlement uitgevoerde enquête. „Een gotspe”, oordeelde D66-fractievoorzitter Alexander Pechtold.

Maar in het debat van gisteren bleek Balkenende zó toeschietelijk dat alle geuite kritiek toch enigszins begon te verbleken. Een enquête, daar voelde hij nog altijd niets voor. Dat wil zeggen: op dit moment. Eerst moest de commissie aan het werk. Maar als deze uiterlijk over negen maanden heeft gerapporteerd, staat het de Kamer geheel vrij alsnog een eigen onderzoek te doen, was de boodschap van de premier. Coalitiepartner PvdA, altijd voorstander van een onderzoek, mag eindelijk weer zijn hart volgen.

En dan de bevoegdheden van de commissie. Onbeperkte toegang tot alle ambtenaren, ook bij inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Volledige inzage in alle overheidsdocumenten, tot en met de staatsgeheime notulen van de ministerraad. „De commissie zal geen strobreed in de weg worden gelegd”, zei Balkenende.

Drie weken geleden hadden zijn critici in hun stoutste dromen niet kunnen bedenken dat ze het tijdens deze kabinetsperiode nog zouden meemaken. En het is premier Balkenende die het – weliswaar met frisse tegenzin, en onder grote interne druk van zijn eigen partij – allemaal mogelijk maakt.

Maar met uitzondering van de SGP was blijdschap over deze knieval bij de oppositiepartijen nauwelijks te bespeuren. Zij zagen in de toezeggingen van de premier vooral een nieuwe vorm van het al zes jaar durende verzet van Balkenende tegen openheid over de besluitvorming rond ‘Irak’. Een parlementaire enquête, met minder namen D66, GroenLinks, de SP, de VVD, de PVV, de Partij voor de Dieren en Rita Verdonk geen genoegen.

De coalitie probeert het parlement zijn belangrijkste recht, het controlerecht, „te ontfutselen”, vond Pechtold. Waar was Balkenende, vroeg SP-leider Agnes Kant zich af, eigenlijk bang voor? GroenLinks-leider Femke Halsema vond het een „akelig politiek schimmenspel”. En VVD-leider Rutte, tot maandag altijd een tegenstander van een parlementaire enquête? „Het parlement is buitenspel gezet.”

CDA-fractievoorzitter Van Geel vond al deze achterdocht erg opportunistisch. Het was in zijn ogen onbegrijpelijk dat partijen die bij andere gelegenheden geen enkele principiële tegenstand hadden laten blijken tegen onderzoekscommissies, nu alleen nog maar tevreden waren met een parlementaire enquête. Hem ging het om waarheidsvinding, zei Van Geel. En die was in betere handen bij een onafhankelijke commissie met een voorzitter van statuur dan bij de Tweede Kamer.

Die Kamer is hem te politiek, zei Van Geel, en aan een politieke afrekening had de CDA’er geen behoefte. Hij geloofde niets van het principiële betoog van de oppositie voor een parlementaire enquête. „Dat is vooral leuk voor tv, het brengt spektakel met zich mee.” Pechtold stoof op: „U heeft het over de Kamer, mijnheer Van Geel!”

Dat de oppositiepartijen dit door Balkenende gegeven paard toch volop in de bek wilden kijken, is niet zo verwonderlijk. Noch Van Geel, noch Balkenende heeft zich ooit een groot voorstander getoond van welk onderzoek dan ook naar de besluitvorming rond Irak. Dat ze nu toch van de noodzaak van waarheidsvinding overtuigd zijn, is minder waarschijnlijk dan dat het CDA de toenemende druk op Balkenende wat wilde verlichten.

En eigenlijk gaven zij dat gisteren ook impliciet toe. Er was na alle „dynamiek” van de afgelopen weken behoefte aan „samenhang”, er moest een einde komen aan „de ruis”, zei de premier. Ruis die vooral aan hemzelf begon te vreten. Terwijl vicepremier en PvdA-leider Wouter Bos zich steeds populairder maakte als bestrijder van de gevolgen van de kredietcrisis, kreeg Balkenende alleen nog maar aandacht als weigeraar van onderzoek naar Irak. Een houding die hem bovendien meer en meer isoleerde.

Die weigering kon hij niet langer volhouden. Maar dat de premier bij het bekendmaken van de commissie benadrukte dat het kabinet de tientallen Irak-vragen van de Eerste en Tweede Kamer voorlopig niet zal beantwoorden, en dat het kabinet pas over negen maanden weer iets over het onderwerp zal zeggen, was niet goed voor het vertrouwen van zijn critici in zijn oprechte bedoelingen. Dus kreeg het CDA het verwijt van politiek opportunisme direct teruggekaatst.

De toon van de oppositie veranderde pas toen de vrijheid om na de conclusies van de commissie toch nog een parlementair onderzoek te steunen, werd opgeëist door Mariëtte Hamer – haar PvdA had zich jarenlang laten vangen in een mondeling herenakkoord om in de Kamer niet vóór het door deze partij zo gewenste parlementair onderzoek te stemmen. En toen Balkenende, niet bekend als de meest heldere en bondige spreker, hier in één zin mee instemde, waren de oppositiepartijen zelfs even verbaasd. Na het debat zei Pechtold: „Het is veel meer dan ik van tevoren had kunnen bedenken.”

Zes jaar lang vond Balkenende een onderzoek overbodig. Er waren zestien debatten over ‘Irak’ geweest, er was niets verborgen, niets nieuws om te ontdekken. Gisteren zei hij weer dat er niets te verbergen was. Het onderzoek, legde de premier uit, zou dat aantonen. Zíjn onderzoek.