De lach moet langzaam wegsterven

Bouli Lanners boekt succes met z’n tweede film, Eldorado.

„Na de montage wist ik zeker dat ik een hoop bagger had geproduceerd.”

Beide films van de Waalse regisseur Bouli Lanners (43) beginnen met een persoonlijke ervaring. Bij zijn debuutfilm Ultranova was dat een auto die tegen een boom botste, en een airbag die als een gescheurde vlag uit het raam hing.

In Eldorado is het een inbraak, een anekdote die de de hele film eigenlijk samenvat. Lanners trof op een avond inbrekers op zijn woonboot. Even later stond hij dreigend met een ijzeren staaf in zijn woonkamer te zwaaien, de ene inbreker onder zijn bed, de andere onder zijn bureau verstopt. Lanners: „De eerste sloeg op de vlucht, de tweede, een verlegen scharminkel van een junkie, weigerde onder het bed vandaan te komen. Hij dreigde met een mes. Ik zat voor mijn gevoel urenlang op een stoel op hem in te praten, we waren bloednerveus. Ik beloofde hem niet aan te geven, toen vertrok hij. Enfin, een week later ontmoette ik ze in de binnenstad. Ze boden me drankjes aan, het werd echt gezellig. Dus ik schepte tegen mijn vrouw en vrienden op dat ik zo’n fantastische band had met twee junkies, dat zoiets echt kan.”

Twee maanden later roofde het duo alsnog zijn boot leeg. „Ze lieten dat mes achter, daarom weet ik dat zij het waren. Een mes zonder handvat.” Lanners was een illusie armer, maar een scenario rijker. „Het mes bewaar ik als een reliek, in de credits van Eldorado bedank ik de inbrekers.”

Uw debuut ‘Ultranova’ heeft mooie momenten, maar was pretentieus. ‘Eldorado’ is prachtig in balans.

„Bij Ultranova voelde ik mij verplicht een serieuze auteursfilm te maken. Stelt u zich voor: ik heb geen enkele filmopleiding en sta bekend als komiek. Dan krijg je anderhalf miljoen euro van het filmfonds en moet je iets bewijzen. Ik durfde echt geen bejaarde nudist genaamd Alain Delon uit een camper te laten stappen, zoals in Eldorado. Ultranova was mijn eindexamen, nu ben ik een vrij man.”

‘Slumdog Millionaire’-regisseur Danny Boyle vindt dat je eerste film altijd je beste is.

„Van de honderd debuterende regisseurs maken er dertig een tweede film, en vier een derde. Verlies je frisheid niet, zeggen ze dan. Welnu, Eldorado is frisser dan mijn debuut, mijn derde film wordt nog frisser. Ik heb er ditmaal alles ingestopt wat ik zelf leuk vindt. Ik ben dol op roadmovies, word zeer beïnvloed door Amerikaanse films. Dus stopte ik een Chevrolet uit 1979 en mijn lievelingsmuziek erin. Wallonië moest eruit zien als in een western, met weidse vlaktes en veel lucht onder goudgele zonneschijn. Dat de basis heel triest is, merk je pas gaandeweg.”

Uw regie oogt erg zelfverzekerd?

„Welnee, ik was doodsbang. Na de montage wist ik zeker dat ik een hoop bagger had geproduceerd. Ik kon de film niet zien, walgde van mijn acteerwerk. Dit kon gewoonweg geen hond interesseren. En dan in Cannes in première: vluchten kon niet meer. Ik was euforisch toen de mensen het waardeerden.”

In hoeverre improviseert u? Ik begrijp dat sommige karakters pas tijdens het draaien ontstonden.

„Ik plan en repeteer nauwgezet, maar tijdens het draaien verandert alles weer. Dan zie ik een locatie en bedenk een scène. Een rivier! Laten ze zich hier gaan wassen! De crew weet dat en vertrouwt me. Maar pas in de montagekamer vindt alles zijn plek. Zo had ik eerst een heel ander einde en een subplot met twee jonge meisjes. Dat bleek shit en gooide ik eruit.”

In roadmovies maken reizigers vaak een transformatie door, bij u eindigt alles bij het begin.

„Ik schrijf liefst verhalen die een cirkel volmaken. De lach moet langzaam wegsterven. Een happy end zou een leugen zijn, gezien de karakters en hun omgeving. Ik geloof niet in grote geestelijke transformaties, mensen veranderen hooguit een heel klein beetje.”