Brussel vertrouwt opslag crisisolie niet meer na gasconflict

De meeste landen houden een noodvoorraad olie aan. De Europese Commissie vindt het verstandiger dat dichter bij huis te gaan doen. ‘Olie is vaker in handen van nare mensen.’

Zo ziet energieveiligheid er dus uit. Vijftien enorme olietanks die blinkend wit afsteken tegen de grijze lucht, in de Laurenshaven in Rotterdam. Hier houden EU-landen deels hun ‘strategische olievoorraad’ aan, de energie die nodig is om drie maanden vooruit te kunnen als er elders in de wereld iets mis gaat.

De witte kolossen staan op het winderige terrein van opslagbedrijf Vopak. Iets verderop begint de olieraffinaderij van Shell, kilometers lang. Ook daar houden diverse Europese landen voorraden aan voor tijden van nood. De oliemaatschappijen en tankopslagbedrijven in Rotterdam zijn recent een steeds grotere rol gaan spelen in die strategische olievoorraad van Europese landen. Steeds meer landen parkeerden rond de eeuwwisseling een deel van hun reserves in Nederland (zie grafiek). Voor die landen was het goedkoper, voor de bedrijven op Europoort een bron van inkomsten.

Brussel wil daar verandering in brengen. De strategische reserves moeten dichter bij huis komen te liggen, bij voorkeur in het land zelf. Dat is nodig voor de energieveiligheid, zegt de Europese Commissie. Maar dit gaat ons minstens 100 miljoen euro kosten, schrijft het ministerie van Economische Zaken gealarmeerd aan de Tweede Kamer. Die debatteert volgende week over het Commissieplan.

Het voorstel van Brussel gaat terug op de eerste gascrisis tussen Rusland en Oekraïne, in 2006. Die maakte nog eens duidelijk dat EU-landen niet altijd zeker zijn van de energie die ze elders betrekken. „Onderbrekingen van de energievoorziening zijn geen fictie”, zegt de woordvoerder van eurocommissaris Piebalgs (Energie). „Ze gebeuren echt en worden steeds waarschijnlijker. Zelf produceren we steeds minder. Wat er wereldwijd over is, is vaak in handen van nare mensen.” De nieuwe ruzie van deze winter, toen Rusland opnieuw de gaskraan dichtdraaide, bevestigt dit alleen maar.

Na het eerste conflict spraken de lidstaten af dat Brussel plannen moest opstellen om de energiezekerheid te vergroten. Dat heeft geresulteerd in de onlangs gepubliceerde ‘Strategische energieherziening’. Die bevat een breed pakket van maatregelen, van energiezuinige gebouwen tot windparken. Bijna allemaal plannen die in Nederland enthousiast zijn ontvangen. Behalve de richtlijn Strategische olievoorraden.

De gedachte is dat de EU-landen drie maanden lang vooruit moeten kunnen als door onrust in het Midden-Oosten of een ramp op de Bosporus de olievoorziening in gevaar komt. Ook als Moskou weer de gaskraan zou dichtdraaien kunnen de oliereserves uitkomst bieden. Dat bleek deze winter in Bulgarije. Toen de olietoevoer uit Rusland stokte, schakelden elektriciteitscentrales tijdelijk over op olie.

Maar de strategische olievoorraden bevinden zich steeds vaker in het buitenland. Lange tijd ging het in Nederland alleen om Duitsland, België en Luxemburg. Nu houden zeven EU-landen voorraden aan in Rotterdam, Amsterdam, Vlissingen en elders. Sinds enige tijd heeft zelfs Nieuw-Zeeland een voorraad in Rotterdam.

Soms wordt de olie van een land fysiek opgeslagen in grote tanks. Maar steeds vaker kiezen landen voor het goedkopere systeem van opties (‘tickets’) op werkvoorraden in raffinaderijen die oliemaatschappijen sowieso beschikbaar hebben. Nederland garandeert dan dat deze olie in een crisis daadwerkelijk beschikbaar komt. Dat kan door de olie vanuit Rotterdam te transporteren naar het betreffende land, het kan ook door een uitwisseling (‘swap’) met olieproducten van de maatschappij dichter bij het bewuste land.

Oliemaatschappijen in Nederland verdienen tegenwoordig dus vaker op voorraden die voorheen alleen maar geld kostten.

Maar in Brussel groeit de twijfel. „Hoe snel zijn die voorraden op de markt als ze door bedrijven worden beheerd?”, vraagt de woordvoerder van eurocommissaris Piebalgs zich af. Italië bijvoorbeeld houdt 100 procent van zijn voorraad aan in de vorm van tickets bij het bedrijfsleven, deels in het buitenland.

„Het is inderdaad een beetje raar om tijdens een crisis te vertrouwen op de markt”, zegt Coby van der Linde, energiedeskundige van het Clingendael-instituut voor Internationale betrekkingen. „Een crisis betekent juist dat de markt niet werkt.” Zij plaatste in 2001 al vraagtekens toen Nederland onder minister Jorritsma (Economische Zaken, VVD) deels overstapte op het ticketsysteem.

Ook olieconsultant Jan Brouwer, oud-directeur van voormalig opslagbedrijf Pakhoed, zegt dat hij zich wel iets kan voorstellen bij deze twijfel. Jorritsma gaf indertijd zelf toe dat „de voorzieningszekerheid zal dalen” als minder wordt vertrouwd op strategische voorraden en meer op reeds aanwezige bedrijfsvoorraden.

De Europese Commissie stelt nu voor om opslag in het buitenland alleen toe te staan als de nationale autoriteiten van het opslagland formeel eigenaar zijn van de voorraden. Dat gaat Nederland te ver. Strijdig met de interne markt, meent Den Haag. „Het zou betekenen dat wij tanks moeten bouwen om olie voor die landen op te slaan”, zegt Ted van Dam Merrett, directeur van Cova, het Centraal orgaan voorraadvorming aardolieproducten. Cova beheert de nationale strategische olievoorraad. Van Dam Merrett: „Dan is het kostenvoordeel weg en is het maar de vraag of landen hier nog voorraden aan willen houden.”

Volgens het ministerie van Economische Zaken zou het Brusselse plan voor het Nederlandse bedrijfsleven een jaarlijkse schadepost van 100 miljoen euro betekenen en leiden tot minder economische activiteit in de haven van Rotterdam. Bovendien liggen de nationale voorraden deels in het buitenland. Aanpassing aan de nieuwe eisen leidt tot hogere kosten die de automobilist betaalt. Nu bedraagt de ‘Cova-heffing’ 0,53 eurocent per liter brandstof.

Ook bij andere EU-landen is er „veel verzet” is tegen de plannen, zegt een woordvoerder van Economische Zaken. Logisch, want binnen de EU zijn ondertussen zo’n 60 bilaterale akkoorden gesloten. Doorgang van de Brusselse plannen zou betekenen dat er in Europa voor honderden miljoenen aan nieuwe opslagtanks gebouwd moet worden in de buurt van de afzetmarkten zelf. De kosten daarvan zullen ook in die landen worden doorberekend aan de automobilist.

Nederland is wel voorstander van meer fysieke voorraden in andere EU-landen, zodat zij tijdens een crisis voor zichzelf kunnen zorgen, maar vindt dat marktpartijen niet grotendeels moeten worden buitengesloten. Beter toezicht op de voorraden zou volstaan.