Zuipend naar de afgrond

Enkele weken geleden bracht het tijdschrift The New Yorker een groot profiel van de schrijver Richard Yates (1926-1992). Toen ik dat zag, kon ik alleen maar verzuchten: „Ach, had hij dat nog maar zelf mogen meemaken.”

Richard Yates schreef de roman Revolutionary Road, de basis voor de gelijknamige speelfilm die sinds kort in Nederland draait en veel gunstige recensies kreeg. Een goede film, „maar het boek is beter” – dat kon ook moeilijk anders, want het betreft een van de beste Amerikaanse romans uit de vorige eeuw. Wie boek of film kent, zal niet snel het lot van het veelbelovende, maar o zo wanhopige jonge echtpaar Wheeler in zijn comfortabele voorstad vergeten.

Vijf jaar geleden verscheen de biografie van Yates, A Tragic Honesty, een ruim 600 pagina’s bevattende pil van Blake Bailey, waarin zo ongeveer alle misère is opgestapeld die een mens in het algemeen en een schrijver in het bijzonder over zichzelf kan afroepen. Want Yates was een nog veel ongelukkiger mens dan de romanpersonages die hij schiep. Eén aspect van zijn ondergang hoefde hij zichzelf echter niet te vergeven: het gebrek aan erkenning voor zijn werk.

Natuurlijk, er waren altijd collega’s die hem wilden prijzen, uitgevers die hem wilden uitgeven en lezers die hem wilden lezen, maar achteraf bezien is het verbluffend dat een schrijver van zulk goed werk (hij schreef meer goede romans en was ook een voortreffelijke verhalenschrijver) tijdens zijn leven relatief zo onbekend kon blijven.

Van Revolutionary Road werden de eerste jaren niet meer dan 10.000 exemplaren verkocht, zijn andere boeken verkochten nog slechter. Pas in 2000, acht jaar na zijn dood, kwam de kentering toen Random House een nieuwe herdruk uitgaf met een bewonderend voorwoord van schrijver Richard Ford, dat werd overgenomen door The New York Times Book Review.

Gekmakend symbool van dat gebrek aan erkenning was voor Yates de constante weigering van The New Yorker om een verhaal van hem te plaatsen. Dertig jaar heeft hij geprobeerd tot dit invloedrijke bastion van de goede smaak door te dringen en telkens kreeg hij een arrogant afwijzingsbriefje terug. „Alles wat ik wil is een verhaal in The New Yorker”, heeft hij eens uitgeroepen, maar die eer was vooral weggelegd voor, zoals hij ze noemde, „John fucking Cheever” en „John fucking Updike”.

Pas postuum heeft The New Yorker een verhaal van hem gepubliceerd. En nieuwe generatie redacteuren gaf toe dat de vorige zich had vergist – of was het geen vergissing en wilde die oudere generatie de lastige Yates alleen maar pesten?

Want lastig was hij zeker. Onmogelijk misschien wel. Yates kreeg met vrijwel iedereen ruzie – zijn vele vrouwen, zijn kinderen, zijn vrienden. „Hij kon nooit begrijpen wat voor een last hij andere mensen oplegde”, zei zijn psychiater na zijn dood.

Yates kon charmant zijn, maar hij was vaker onaangenaam, agressief en vol zelfbeklag. Hij noemde het schrijverschap „het moeilijkste en eenzaamste beroep van de wereld”. Intussen zoop en rookte hij zichzelf naar de onvermijdelijke afgrond.

Vooral dit beeld zal mij uit die lijvige biografie bijblijven: een eenzame man in een lege universiteitshal in Boston. Men had hem in 1981 uitgenodigd voor een lezing, maar er was niemand komen opdagen. De twee sponsors keken op hun horloge. Yates stelde voor dat ze naar de bar gingen. Dát drankje had hij verdiend.