Wetenschappers twijfelen aan schuld Vroemen

Simon Vroemen denkt te kunnen bewijzen dat hij in aanloop naar de Spelen van Peking geen doping heeft gebruikt. Volgens hem de oorzaak van alle kwaad: een geneesmiddel tegen astma.

Oud-atleet Simon Vroemen meent wetenschappelijk te kunnen aantonen dat hij afgelopen zomer bij een dopingcontrole fout-positief is getest op het spierversterkende middel metandiënon. Laboratoriumonderzoek bij de Universiteit Leiden wijst volgens hem uit, dat de sporen van de verboden anabole steroïde in zijn urinemonster zijn veroorzaakt door Pulmicort, een medicijn dat Vroemen gebruikte tegen inspanningsastma en waarvoor hij als sporter een medische ontheffing had.

Vroemen baseert zich op een onderzoek van dr. Rob Vreeken, verbonden aan de Universiteit Leiden en het Netherlands Metabolomics Centre. Die heeft de urinemonsters van een groep vrijwillige gebruikers van Pulmicort met een massaspectrometer getest, in analogie met de methode zoals die gebruikt is in het laboratorium van Keulen, dat de dopingovertreding van Vroemen heeft vastgesteld. Zijn conclusie: het bewuste medicijn kan dezelfde signalen geven als metandiënon.

Vreeken: „Daaruit kan geconcludeerd worden dat de testen, die plaatshadden in het laboratorium van Keulen, niet specifiek genoeg zijn uitgevoerd. En daarmee is niet onomstotelijk bewezen dat het bij Vroemen om metandiënon gaat.”

Volgens de chemometrist Klaas Faber uit Nijmegen, een andere wetenschapper die de oud-steepleloper bijstaat, wordt de bandbreedte bij de metandiënon-testen door ‘Keulen’ te ruim gehanteerd. Met andere woorden: de kans op verkeerde uitslagen is naar Fabers opvatting te groot. Hij beoordeelt de meetgevoeligheid van de apparatuur in Keulen kwalitatief dusdanig hoog, dat de marge voor het opsporen van metandiënon probleemloos kan worden versmald, zodat de kans op een fout-positieve uitslag kan worden verkleind.

De diagnose van het laboratorium in Keulen zou volgens Vreeken ook beïnvloed kunnen zijn door de transportduur van Vroemens urinemonsters. Wegens de gevoeligheid voor temperatuur moeten de flesjes urine koel bewaard worden. Vreeken: „En dat is niet gebeurd. Het vervoer naar Keulen heeft zo’n vier dagen geduurd. Gedurende deze tijd is de kwaliteit van het monster niet voldoende gewaarborgd.”

Verder heeft Vreeken met eigen ogen vastgesteld dat het Keulse lab ook bij de uitvoering van de contra-expertise niet met de hoogste mate van zorgvuldigheid heeft gehandeld. Hij was op verzoek van Vroemen aanwezig bij de test van het B-monster. Vreeken: „Bij de kwaliteitsprocedures zijn de nodige foutjes gemaakt. De testen werden minder clean and mean uitgevoerd dan ik had verwacht.”

Als voorbeeld van Keulse slordigheid noemt Vreeken de uitkomst van de contra-expertise. „Het resultaat met de metandiënon-test wordt bepaald door de oppervlakte onder de pieken te berekenen. Maar de basislijn voor vaststelling van die oppervlakte kun je zelf trekken, wat ruimte voor interpretatie laat. In het geval van Vroemens monster wees na de eerste berekening een van de sporen op een negatieve uitslag. Vervolgens werd handmatig opnieuw een basislijn getrokken waardoor alle pieken binnen de acceptatiegrens vielen. Mij lijkt die cruciale waarneming niet honderd procent betrouwbaar.”

Terwijl Vreeken getuige in het lab was, wachtte Vroemen bij een nabijgelegen McDonald’s. Hij mocht alleen bij het openen van de urinemonsters aanwezig zijn. Vroemen: „Maar de laborante die dat deed stond met de rug naar ons toe. Te midden van wel honderd geopende flesjes, kwam ze plotseling met die van mij aanlopen. Ik heb niet gezien dat ze het flesje opende; als ze kwaadwillend was geweest, had ze er metandiënon aan kunnen toevoegen. Ik vond de situatie nogal fraudegevoelig. Ze had minstens kunnen laten zien dat het monster nog intact was.”

Bij het Instituut Sportrechtspraak, dat de tuchtzaken van de Atletiekunie afhandelt, waren de door Vroemen aangedragen feiten aanleiding het laboratorium in Keulen om een weerwoord te vragen. Die reactie is vorige week gegeven, gelijk met het commentaar van de Dopingautoriteit, de nationale antidopingorganisatie die de Atletiekunie voor de deskundigheid heeft ingeschakeld. Vroemen was niet onder de indruk van het verweer. En Vreeken stelt vast dat zijn wetenschappelijke theorie niet wordt ondergraven. Verder verschuilen beide partijen zich volgens Vroemen vooral achter de reglementaire kaders. „Het is een redenatie in de trant van: allemaal leuk wat de wetenschappers namens Vroemen hebben gedaan, maar wij hebben een positieve A- en B-test, die bindend zijn voor het dopingresultaat. Onze alternatieve verklaring doet er dan niet meer toe.”

In essentie deelt Herman Ram, directeur van de Dopingautoriteit, die conclusie. „Omdat op grond van de dopingcode de belangrijkste vraag is of wij ons aan de internationale standaard voor dopingcontroles en laboratoriumtesten hebben gehouden. En dat is het geval. Daarnaast heeft ‘Keulen’ Vroemens bevindingen gecheckt. Als Pulmicort tot een fout-positief resultaat zou hebben geleid, hadden er in de urinemonsters van Vroemen sporen van dat geneesmiddel gevonden moeten worden. En dat is niet gebeurd. Van een verschuiving is dus geen sprake.”

Tegenover conclusies van het dopinglaboratorium in Keulen en de Dopingautoriteit stelt Vroemen een uitgebreid verweerschrift waarmee hij zijn onschuld op wetenschappelijke én procedurele gronden wil bewijzen. Daarvoor krijgt hij ruimschoots de gelegenheid, want het Instituut Sportrechtspraak heeft besloten zijn zaak niet schriftelijk af te doen, maar in een zitting te behandelen.