Roos danst niet op de maat

Roos Rebergen maakt met Roosbeef catchy liedjes over angst voor verandering.

Ze wil meer zijn dan een meisje met piano en begeleidingsband.

Halverwege de treinreis belt Roos Rebergen (20). „Lukt-ie allemaal?” We hebben afgesproken op het station van Ruurlo, in de Gelderse Achterhoek. Voor iemand uit de Randstad moet dat een behoorlijke reis zijn, veronderstelt ze. „Mijn moeder en ik komen je halen van het station”. Vanaf daar nemen we de toeristische route en hobbelen over zandpaadjes naar het erf van de familie Rebergen.

Rebergen groeide op in Duiven, zo’n vijftig kilometer verderop. Daar vormde ze samen met broer Job het bandje Zipp-it, waarin ze Engelstalige liedjes zong. Later richtte ze samen met vrienden Roosbeef op. In 2005 won ze samen met drummer Tim van Oosten de Grote Prijs van Nederland. Onlangs verscheen het debuutalbum van de groep: Ze Willen Wel Je Hond Aaien Maar Niet Met Je Praten.

De boerderij in Duiven moest wijken voor nieuwbouw. Vorig jaar ging -ie plat. Roos Rebergen woont sindsdien op kamers in Utrecht. Maar ze reist nog regelmatig op en neer naar het nieuwe huis van haar ouders. De bejaarde pony Blackie staat er in de voortuin. Binnen op de bank liggen twee honden, Ali en Ed. Rebergen kan moeilijk wennen aan verandering, biecht ze even later op. Niet voor niets komt dat thema steeds terug in de liedjes op haar cd. De zomer die plots verdwijnt, een vriendje dat er met iemand anders vandoor gaat, een soldaat die wordt uitgezonden.

Een van de mooiste voorbeelden daarvan is Boerderij, een ode aan het gesloopte huis: ‘Gemeente Duiven zet hem op / Gebruik een lasbril en een schop / Schroefje hier schroefje daar / De boerderij valt uit elkaar.’

„De liedjes heb ik tussen mijn zeventiende en twintigste geschreven”, vertelt Rebergen. „Juist in die tijd verandert er veel. Je gaat van school, moet kiezen wat je gaat doen. Op jezelf wonen. Ik vind dat wel lastig. Ben blij als dingen hetzelfde blijven. Ik wen niet erg gemakkelijk.”

Omdat ze geen zin meer had in wéér een nieuwe klas, zich wéér aan iedereen voorstellen, stopte ze in die periode met school. Zeventien was ze. In plaats van de popacademie in Friesland te gaan volgen, stortte ze zich fulltime op de band. Het ging ten slotte goed. Er waren optredens in kleine zaaltjes, in grotere clubs, op literaire avonden, in Nederland, in België.

Tijdens een van die optredens, op Bevrijdingsdag in 2007, liep Rebergen de Belgische producer Tom Pintens tegen het lijf, ex-gitarist van Zita Swoon. „Hij was enthousiast. Als je een plaat wilt maken, zei hij, wil ik dat wel doen.” Omdat ze eigenlijk geen idee had wie ze anders moest vragen, zei ze ja.

„Ik had me geen betere producer kunnen wensen. Tom heeft de juiste balans gebracht. We wilden een Nederlandstalige popplaat maken, catchy maar niet te glad. En het mocht ook geen kleinkunst worden, geen meisje met piano en begeleidingsband.”

Dat is het ook niet geworden. Roosbeef heeft een eigen geluid, zingt liedjes die soms simpel, maar vaak ook opvallend knap in elkaar zitten. Alles draait bijvoorbeeld gaat over een dronken avond, maar is ook als je naar de tekst kijkt puur een dronkemanslied. Roos Rebergen blijft woordjes herhalen, maakt haar zinnen niet af en haalt onverwacht uit.

Dat laatste, een opmerkelijke timing, is trouwens kenmerkend voor al haar nummers, „net als dansen, dat doe ik ook niet op de maat”. Ze zingt soms klagend of legt de klemtoon verkeerd. Dat doet ze bewust. „Net als taalgrapjes gebruik ik die techniek om de dingen nog pijnlijker te maken, of juist draaglijker.”

Het is de eerste keer dat ze zo begeleid werd, bij het maken van de cd, vertelt ze. Aanvankelijk deed ze alles zelf, samen met haar vader. „Ik wilde mezelf niet dom houden. Ik ben blij dat ik zoveel zelf heb uitgevogeld. Nu er een plaat is en een clubtour merk ik dat je iemand nodig hebt die wat zegt tegen de platenmaatschappij. Of tegen de pers. Anders wordt er zo over je heen gewalst.”

Niet dat ze zich snel uit het veld laat slaan, maar Rebergen heeft zich nu eenmaal kwetsbaar opgesteld. „Alles wat ik ben, zit in dit cd’tje. Dat is natuurlijk wel een beetje veel. Ik had dat niet zo in de gaten. Maar nu de plaat er is, merk ik dat. Iedereen vindt er iets van. Iedereen vindt iets van mij.”

Dat ze op een boerderij is opgegroeid bijvoorbeeld, is voor veel mensen aanleiding om te denken dat ze niks gewend is. „Onzin. Al speel ik daar ook wel mee.” Zo gaat het nummer Sirene over de sirenes die ze voortdurend in Utrecht hoort. „Als er in Duiven een ambulance voorbijreed, hingen we allemaal uit het raam. In Utrecht kijken ze je dan raar aan. Zelfs baby’s slapen er doorheen.”

Hoe gaat dat schrijven eigenlijk in z’n werk? „Het begint met een zin die zomaar in me opkomt. Of een situatie die ik niet begrijp.”

Vorige week liep ze tegen een poster over een vermissing aan. „Dat doet wat met mij, zo’n poster. Dat iemand gewoon kwijt is. Toen bedacht ik dat het nog veel erger is als je vermist bent en je helemaal geen poster krijgt. Dat geen mens je zoekt. Dat je je bij iedere boom afvraagt: waarom is er hier geen blad voor mij opgehangen?”

Optredens van Roosbeef: 6 februari Atak Enschede, 13 februari Burgerweeshuis Deventer, 14 februari Ekko Utrecht. Roosbeef is op 7 februari 12:00-14:00 uur te horen bij Spijkers met Koppen op Radio 2. Meer speeldata: roosbeef.nl