Miljoenen Chinezen hopen op nieuw werk

Tan Ying is plotseling haar baan kwijt. Met twintig miljoen andere Chinezen zoekt zij nu naar werk. De staat is bang voor onrust, maar zover is het nog niet.

Het meisje met het gele gewatteerde jack heeft op zoek naar werk de afgelopen week meer dan 5.000 kilometer per trein afgelegd. Eerst reisde Tan Qing Ying (20) van haar werk in het zuidoostelijke Dongguan naar haar ouderlijk huis in de centrale provincie Hubei, om zoals 130 miljoen andere arbeidsmigranten thuis het Chinese Nieuwjaarsfeest te vieren op 26 januari. Thuis hoorde zij echter dat haar speelgoedfabriek gesloten zou worden dus keerde zij spoorslags weer naar het zuiden terug om haar achterstallige loon op te halen. Een onzekere reis, want het Taiwanese management was inmiddels met de noorderzon vertrokken.

Gelukkig ontving zij toch haar tegoed, omgerekend zo’n 150 euro. Toen besloot zij om haar geluk te beproeven door een neef achterna te gaan die al eind vorig jaar de trein richting Shanghai had genomen. En daar is zij nu.

De Chinese autoriteiten hebben fondsen beschikbaar gesteld om te voorkomen dat wanbeheer van directies die fabrieken sluiten omslaat in sociale onrust. Vooral in de Parelrivierdelta, in het zuiden, waar miljoenen nongminggong, de ‘boerenwerkers’ zoals de arbeidsmigranten in China worden genoemd, hun vaste banen hebben verloren, zijn er wat ongeregeldheiden geweest omdat managers verdwenen zonder de werkers naar behoren te betalen.

Van de in Peking gevreesde „sociale explosie’’ is echter nog geen sprake. Dat komt ook omdat jongeren als Tan Ying meteen elders op zoek zijn gegaan gaan naar nieuw, liefst vast werk. Als regel zijn arbeidsmigranten geen dagloners.

„Er wordt gezegd dat er hier in Shanghai nog banen genoeg zijn”, fluistert Tan Ying, terwijl zij van haar soep slurpt. Zij zit samen met haar neef in het kantoortje van een koppelbaas aan de Chi Jing Bang, een nauwe straat in Qingpu, een voorstad van Shanghai met industrieterreinen zo groot als de provincie Zuid-Holland. Het meisje achter de balie leest de beschikbare banen voor van het scherm van een laptop. De overwegend lichte en chemische industrie hier heeft heel smerig werk in de aanbieding of zoekt gekwalificeerd personeel.

Als Tan Ying tankers wil schoonmaken of was opgeleid tot technisch lasser, aluminiumbewerker, computerprogrammeur of autospuiter dan zou zij vanavond nog aan het werk kunnen. „Ik wil het liefst een baan met een daaraan verbonden een opleiding”, vertelt Ying, als we door de straat lopen naar een andere koppelbaas.

Op iedere bemiddelkantoortje, in feite niet meer dan een groezelige kamer naast een restaurant, schudden de meisjes achter de balies „neen” op de vragen van de honderden, pas gearriveerde werkzoekers. Terug naar haar dorp in het noorden van Hubei, een van de armste provincies van China, is geen optie. Haar vader kan op zijn boerderijtje niemand erbij gebruiken en van haar moeder heeft zij gehoord dat het tijd is dat zij mee helpt geld te verdienen. Zij schaamt zich ook een beetje om terug te gaan, want haar moeder hoopt op goed nieuws.

Ying rijdt mee naar het officiële arbeidsbureau van Qingpu, een grote, granietgrijze zaal in een modern kantoorgebouw. Op reusachtige beeldschermen worden de vacatures geprojecteerd met bijbehorende nummers, functievereisten en loonniveau. Het gaat duidelijk om de betere banen. Er zit niets bij voor Tan Ying. Zij besluit zich daarom in te schrijven voor een gratis computercursus, een initiatief van een plaatselijke werkgeversvereniging. Ook tekent ze een aanvraag voor een opleiding tot buschauffeur. „Gelukkig heb ik de middelbare school afgemaakt”, lacht Ying.

Een gezette man met borstelig haar noteert intussen het nummer van een van de vacatures op het beeldscherm. Cai Wei (43), boerenzoon uit Hunan, denkt beet te hebben als hij ziet dat Volkswagen Shanghai acht ervaren aluminiumbewerkers tussen de 18 en 60 jaar nodig heeft. Hij heeft tot vorige week gewerkt in de tv-schermenfabriek van het Koreaanse LG-concern. „Ik kom wel aan het werk, maar dat wordt niet zo goed betaald”, mompelt hij. Bij de LG-fabriek ving hij 4.000 yuan per maand plus verzekeringen, ongeveer 400 euro. Hij weet dat een nieuwe baan nooit meer dan 300 euro per maand zal opleveren.

„Als er maar werk is, is er geen probleem. Mijn vrouw werkt ook, we redden het wel”, grijnst hij. Maar als er geen werk is, zijn de problemen niet te overzien. Dan moet hij leven van zijn spaargeld en kunnen hij en zijn vrouw hun wederzijdse ouders en grootouders in Henan niet meer onderhouden.

Deze week bleek dat tussen de twintig en dertig miljoen arbeidsmigranten werkloos zijn geworden in China. Omdat zij op hun beurt weer vele miljoenen anderen onderhouden is de Chinese staat voorbereid op „sociale instabiliteit”. Tal van maatregelen moeten opstanden en demonstraties voorkomen. Arbeidsmigranten krijgen scholing en – bescheiden – compensatie na ontslag. Het is staatsbedrijven verboden werknemers te ontslaan, en het Volksleger is deze week opgeroepen „standvastig en loyaal” te zijn aan de Communistische Partij. Meneer Cai Wei zegt kalmpjes: „Chinese werkers en boeren komen heus niet snel in opstand. Voordat dat gebeurt moet de situatie veel erger worden. Pas als er hongersnood zou ontstaan, komt het volk in opstand. Zover is het nog lang niet. en ik ben ook niet pessimistisch”.