Latijn

Vier agenten fietsen breeduit door de voor fietsers verboden Amsterdamse Reguliersbreestraat. Uit pure balorigheid stap ik ook maar op en rijd hen tegemoet. Ik word staande gehouden en krijg een boete, de gelijkheidsgrap wordt niet gewaardeerd. Boos ben ik en laat het voorkomen.

De rechter spreekt de zin uit, die ikzelf al op weg naar de rechtbank in gedachten had: „Quod licet Iovi non licet bovi.” Ze spreekt de c in licet uit als een k. Ik word niet vrijgesproken. Bij het weggaan zeg ik: „Ik dacht dat de uitspraak van licet met een s is.”

„Ik heb geen gymnasium gehad”, klinkt het stijfjes.

Doris Grootenboer