Kleinkind open voor oorlogsleed

Holocaust-overlevenden zijn voor het eerst echt openhartig tegenover hun kleinkinderen.

‘Uit mijn eigen mond weten mijn kinderen bitter weinig”, zegt Jules Schelvis (1921) over zijn oorlogsverleden. „Dat neem ik mijzelf kwalijk, maar mijn kinderen ook een beetje.” Om in die lacune te voorzien, beschreef Schelvis zijn ontberingen in concentratiekampen in de boeken Binnen de poorten (1989) en Vernietigingskamp Sobibor (1993). Het komt vaker voor: als het over de oorlog gaat, stokt het gesprek tussen overlevenden van de Jodenvervolging en hun kinderen.

Denise Citroen (1952) kent deze ‘communicatiestoornis’ tussen overlevenden van de Holocaust en hun kinderen uit eigen ervaring. Het was een van haar redenen te solliciteren toen Steven Spielberg in 1995 een coördinator Nederland zocht voor zijn Survivors of the Shoah Visual History Foundation. Na de kritiek op Schindler’s List besloot de filmregisseur zoveel mogelijk herinneringen van overlevenden van de Jodenvervolging vast te leggen. Citroen sprak uiteindelijk met zo’n 1.100 overlevenden, van wie 1.048 voor de camera over hun ervaringen als onderduiker of gevangene vertelden. Wereldwijd leverde dit project bijna 52.000 getuigenissen op, die bij de University of Southern-California toegankelijk zijn gemaakt.

Tien jaar later constateerde Denise Citroen, eerst in haar directe omgeving, dat het contact tussen de overlevenden en hun kleinkinderen aanzienlijk beter verliep. Anders dan hun ouders waren die niet direct belast met het oorlogsleed; de kleinkinderen stonden daardoor opener voor de oorlogsverhalen. Terwijl ze net als hun ouders, aldus Citroen, een deel van hun Joodse identiteit blijken te ontlenen aan de ervaringen van hun voorouders. Alle kleinkinderen op hun eigen manier: de één omhelsde gretig het joodse geloof, de ander ontwikkelde een strijdbaar idealisme om herhaling te voorkomen.

De kinderen van de geïnterviewden, merkte Citroen, konden het vaak niet aan de interviews met hun ouders voor het Spielberg-project integraal te bekijken. „Deze oorlogsverhalen slaan blijkbaar een generatie over om gehoord te worden”, zegt Citroen. „Terwijl familiebanden en het vertellen van verhalen over vroeger diep geworteld zijn in de Joodse traditie.” Dit gegeven inspireerde haar tot negen interviews met kleinkinderen, nadat die de getuigenissen van hun grootouders hadden gezien. Het leidde tot een aangrijpend boek met dvd, waarin fragmenten uit de oorspronkelijke vraaggesprekken worden afgewisseld met bespiegelingen van kleinkinderen van de geïnterviewden. Morgen wordt het eerste exemplaar van Eén verhaal uit duizenden aangeboden door Louis Tas, psychiater van overlevenden van de Holocaust en hun nakomelingen.

In het boek komt de bacterioloog Ellis Hertzberger (1914-2008) aan het woord. Hij overleefde achtereenvolgens Theresiënstadt, Sachsenhausen, Auschwitz en Dachau doordat hij in de laboratoria van deze kampen te werk werd gesteld. „Opa wist te overleven, ook al ging dat soms ten koste van anderen”, zegt zijn kleindochter Rosanne Hertzberger (1984). „Het was hij of een ander. En die ander kende hij niet. Daarmee laat hij ons iets van de onmenselijkheid van deze oorlog voelen.”

Tom Rooduijn

Boek: Eén verhaal uit duizenden, Uitgeverij Boom, 19,50 euro, inclusief dvd.