Joh en Goh

De woorden ‘joh’ en ‘goh’ worden zelden in een normale zin gebruikt. Wel hoor je ze vaak als mensen zichzelf citeren, bijvoorbeeld als ze over iemand aan het roddelen zijn: „Dus ik zeg tegen Louise: ‘Goh, kun jij morgen die stukken aanleveren?’ En Louise gaat meteen van: ‘Nee, daar heb ik het nu echt te druk voor’, en dit en dat. Dus ik zeg: ‘Joh, misschien kun je anders Heleen er even bij betrekken’, maar nee, dat was dan ook weer te veel moeite.”

Natuurlijk heeft het ‘goh’-citaat in het echt nooit plaatsgevonden. Niemand zegt écht: „Goh, kun jij die stukken morgen aanleveren?” Maar in het citaat zorgt het ervoor dat er een zweem van redelijkheid, van opgeruimdheid om de spreker komt te hangen. Bij het roddelen lijk je zelf de normale partij, en de ander de onredelijke gek.

Omdat ‘goh’ en ‘joh’ redelijkmakers zijn, worden ze ook veelvuldig gebruikt in hulpverlenersland. „Hoe ga je met die hangjongeren om? Ga met ze in gesprek! Zeg gewoon: ‘Joh, ik merk dat jullie elke avond in mijn portiek plassen, maar dat stinkt!’” Ik zeg: succes met deze interventie.

Het redelijke en opgeruimde van ‘joh’ kan ook potsierlijk worden. In het radioprogramma Adres onbekend vertelde iemand onlangs een dramatisch verhaal over zijn net uit Turkije geïmmigreerde moeder, die haar man met een buitenechtelijk kind van een Nederlandse vrouw aantrof: „En mijn moeder ziet die baby, nou, big surprise natuurlijk, dus zij zegt: ‘Joh, wat is dit?’”

‘Joh’ is trouwens niet altijd een redelijkmaker. ‘Joh’ kan ook totáál anders uit de hoek komen: als cynische dooddoener. Een tijdje geleden in het televisieprogramma Memories, tour d’amour. Een oude man vertelt over zijn verloren vakantieliefde van bijna een eeuw geleden en bekent met tranen in de ogen: „Zo intens heb ik de liefde nooit meer beleefd.” Waarop presentatrice Anita Witzier antwoordt: „Joh.”