Deglobalisering

In het symbolische centrum van de geglobaliseerde wereldorde, Davos, had men dit jaar op het Wereld Economisch Forum als motto gekozen Shaping the post-crisis world. Natuurlijk, doeners zijn tot dynamiek en optimisme verplicht, maar het motto deed wel heel erg denken aan de vraag aan een nog verkleumde drenkeling waar de volgende zeiltocht heen zal gaan.

Amerikanen waren matig vertegenwoordigd, want die zijn nog veel te druk met de crisis zelf. En bankiers waren er ook weinig, want die hebben geen tijd meer of geen geld. John Thain van Merrill Lynch zou prominent figureren maar die was ontslagen, heeft trouwens ook de officier van justitie achter zich aan en nog wat van die dingen. Ook Citigroup liet verstek gaan, de bazen ervan hadden net van hun nieuwe minister van Financiën de dringende suggestie gekregen dat nieuwe privévliegtuig van 50 miljoen af te bestellen.

Davos had dit keer de wereld opvallend weinig te melden. Chinezen kwamen behoedzaam en Russen nogal bot klagen over Amerika, maar daarmee is nog geen postcrisis-wereld vormgegeven. Biden, Bono en de globalisering hadden even geen tijd. De Britse premier Gordon Brown kwam waarschuwen voor deglobalisering – een aardige term om te onthouden voor de komende tijd.

Het Duitse weekblad Die Zeit spreekt tezelfdertijd in een opvallend somber gestemd nummer (29 januari) van „een soort mondiale vaderloosheid”. De overzichtelijkheid van een boze vijand in de rol van zondebok ontbreekt, „en er zijn ook geen grote wijzen die ons uit de crisis leiden”.

Alleen Barack Obama vult, althans voor de westerse wereld, even dit gat. Voor het mondiale vaderschap is hij te jong, maar hij weet te overtuigen. Interessant en heel uitzonderlijk is ook wat hij rondom zich heen heeft verzameld. Zijn staf, zijn kabinet, zijn adviseurs – het zijn bijna allemaal toppers uit de elite, uit het intellectuele establishment van Harvard, Chicago en Berkeley, the best and the brightest.

Decennia lang was dit taboe. Het nieuwe geld, de stoere doeners of de predikanten zetten de toon. Vanaf de jaren zeventig trok de ene na de andere president naar Washington met de belofte het establishment juist te verjagen. Jimmy Carter haatte die elite, Reagan had Hollywood-vrienden. Vader en zoon Bush, hoewel zelf lid van het oostkust-establishment, deden er alles aan om hun sporen uit te wissen. En ook Clinton sprak meer van Arkansas dan van Cambridge.

Een intellectueel establishment had lang geleden een gezaghebbende rol gespeeld. Het was met mensen als George Kennan en Dean Acheson verantwoordelijk geweest voor de vormgeving van de naoorlogse westerse wereld. Onder de noemer The Wise Men zijn ze in een veelgeprezen studie (van Walter Isaacson) deel geworden van de Amerikaanse geschiedenis. Maar de tijd van dit type establishment was na Kennedy voorbij. Zoiets zou in een populistischer mediatijdperk nooit meer terugkomen. Het volk kreeg voorrang.

Maar ze zijn terug. Ivy League-figuren als Tim Geithner (minister van Financiën), Cristina Romer (economisch adviseur) en Larry Summers (economisch adviseur) kennen hun klassieken. Het zijn vaklui van onbetwist kaliber, intellectuele elite.

Maar zullen zij in het spoor van hun illustere voorgangers een nieuwe wereldorde bouwen?

Het ziet er niet naar uit. Dit is de eerste mondiale crisis waarin Amerika aan het infuus van andere landen hangt, van China, van Arabische landen. Hoewel de lessen van het verleden leren dat protectionisme nu de grootste valkuil vormt, bieden de nieuwe wijze mannen geen enkele garantie dat de wereld ervan verschoond zal blijven. Het begon al met een opmerking van Geithner dat zijn president „de indruk heeft dat China zijn valuta manipuleert”. Het stimuleringsplan van Obama betekent behalve hopelijk werk, werk, werk, ook dat het buitenland stevig meebetaalt, want wat tweederde van de wereld op de bank heeft – dollars – wordt simpelweg een stuk minder waard. Naast financieel mercantilisme steekt ook openlijk protectionisme de kop op. De Amerikaanse auto-industrie krijgt een miljardeninjectie. Zij wordt geacht staal te kopen, ‘Made in America’, het gaat immers om belastinggelden van Amerikanen. En trouwens, zei de minister niet zelf dat Chinezen manipuleren?

De Amerikaanse Wise Men van de jaren veertig en vijftig hadden de regie in handen. Zij construeerden Bretton Woods, met de dollar-goudstandaard en met de internationale organisaties die financiële en economische verhoudingen in de wereld gingen regelen. Maar het Internationaal Monetair Fonds raakt nu door zijn geld heen en staat op een zijspoor. De Wereldbank zoekt een missie. Het IMF zou een cruciale rol kunnen spelen bij de reconstructie van Amerika en van de postcrisis-wereld. Zoiets zou het internationale stelsel redden en geschikt kunnen maken voor een nieuwe tijd.

Maar dat betekent ook een flinke stap terug voor de Amerikanen (en Europeanen). En meer invloed, meer stemrecht, voor grote geldschieters, voor China. Anders dan de vorige kan deze intellectuele elite van Washington geen nieuwe wereldorde meer scheppen naar eigen beeld en gelijkenis. Ze moet met de pet rond.

Over nieuwe financiële verhoudingen in de wereld hoor je in Washington verrassend weinig. Het lijkt welhaast taboe. Want iedereen is gefixeerd op Amerika zelf. Daarover gaat het debat, daarover gaat de opwinding, vergelijkingen met de New Deal zijn dagelijkse kost in het Congres.

In de bijgebouwen van het Witte Huis schijnt Obama zoveel intellectueel establishment te hebben vergaard dat menig denker zich moet behelpen met een ruimte zo groot als een toilet.

Aan brille geen gebrek, maar het uitzicht blijft (nog?) beperkt.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/knapen(Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)